Betrokkene verzocht de rechtbank om het bewind over zijn goederen op te heffen, stellende dat hij in staat is zijn financiën zelfstandig te beheren en ontevreden is over de bewindvoerder. De bewindvoerder betwistte dit en wees op de voortdurende verslavingsproblematiek en het niet nakomen van afspraken door betrokkene.
De kantonrechter stelde bij eerdere zitting vast dat betrokkene eerst een zelfstandigheidstraject moest doorlopen alvorens het bewind kon worden opgeheven. Dit traject werd overeengekomen en gestart, maar na zes maanden was het nog niet succesvol afgerond, waarna een verlenging van zes maanden werd overeengekomen.
Tijdens de zittingen en schriftelijke communicatie gaf betrokkene aan zich in staat te achten zijn financiën zelfstandig te beheren en handhaaft hij zijn standpunt ondanks de verslavingsproblemen. De bewindvoerder blijft echter van mening dat betrokkene onvoldoende stabiel is en het geld niet verantwoord besteedt.
De kantonrechter concludeert dat hoewel betrokkene een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, onder meer door het hebben van een baan, de situatie nog onzeker is vanwege het tijdelijke contract en de hardnekkige verslaving. Daarom is het nog te vroeg om het bewind op te heffen. De kantonrechter legt op dat maandelijks verslag moet worden uitgebracht over het zelfstandigheidstraject, met een eindrapportage uiterlijk 29 april 2025.