ECLI:NL:RBOBR:2024:5537

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 november 2024
Publicatiedatum
19 november 2024
Zaaknummer
C/01/406370 / HA ZA 24-437
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 217 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voeging en toewijzing vrijwaring in civiele procedure

In deze civiele procedure bij de rechtbank Oost-Brabant stond een incidentzaak centraal waarin een vordering tot voeging en een vordering tot vrijwaring werden beoordeeld.

De vordering tot voeging werd afgewezen omdat deze niet in de hoofdzaak was ingesteld, zoals vereist volgens artikel 217 Rv Pro. De rechtbank oordeelde dat een partij zich alleen in de hoofdzaak kan voegen, niet in een vrijwaringszaak.

De vordering tot vrijwaring werd toegewezen op grond van de aangevoerde en niet weersproken gronden. De rechtbank bepaalde dat geen van de partijen in het incident als de in het ongelijk gestelde partij kon worden beschouwd, waardoor de proceskosten werden gecompenseerd en iedere partij haar eigen kosten draagt.

De rechtbank bepaalde tevens dat de vrijwaring door de eisende partij in het incident op 4 december 2024 kan worden gedagvaard en dat de hoofdzaak op 8 januari 2025 weer op de rol komt voor conclusie van antwoord.

Uitkomst: Voeging afgewezen en vrijwaring toegewezen met kostencompensatie.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/406370 / HA ZA 24-437
Vonnis in incident van 20 november 2024
in de zaak van
[eiser in vrijwaring/verweerder in het incident],
te [plaats] ,
eisende partij in vrijwaring,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser in vrijwaring/verweerder in het incident] ,
advocaat: mr. I.I.P. Cuijpers,
tegen
[gedaagde in vrijwaring/eiseres in het incident] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij in vrijwaring,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde in vrijwaring/eiseres in het incident] ,
advocaat: mr. D.G. Rosenquist-Mulders.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in vrijwaring
  • de incidentele conclusie tot voeging en oproeping in vrijwaring
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

Voeging
2.1.
[gedaagde in vrijwaring/eiseres in het incident] vordert dat haar wordt toegestaan zich in de hoofdprocedure met zaaknummer C/01/400430 tussen [eiser in vrijwaring/verweerder in het incident] en [A] en [B] te voegen aan de zijde van [eiser in vrijwaring/verweerder in het incident] . [eiser in vrijwaring/verweerder in het incident] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat deze incidentele vordering moet worden afgewezen. In artikel 217 Rv Pro is bepaald dat ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen. Deze vordering moet daarom worden ingesteld in de hoofdzaak tussen de andere partijen en niet in deze vrijwaringszaak.
Vrijwaring
2.3.
[gedaagde in vrijwaring/eiseres in het incident] vordert dat haar wordt toegestaan [C] in (onder)vrijwaring op te roepen. [eiser in vrijwaring/verweerder in het incident] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat deze incidentele vordering moet worden toegewezen, omdat de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen.
2.5.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
staat toe dat [C] door [gedaagde in vrijwaring/eiseres in het incident] wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van
4 december 2024,
3.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in vrijwaring
3.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
8 januari 2025voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2024.