In deze strafzaak heeft de verdachte een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters die betrokken zijn bij de behandeling van een regiezitting in een strafzaak met betrekking tot EncroChat-data. De verdachte stelde dat de rechters zich vooringenomen hadden getoond door in een tussenbeslissing onderzoekswensen af te wijzen en daarbij motiveringen te gebruiken die volgens hem niet anders konden worden uitgelegd dan als blijk van vooringenomenheid.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van het toetsingskader dat stelt dat alleen bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor partijdigheid tot wraking kunnen leiden. Daarbij is van belang dat een rechterlijke tussenbeslissing of de motivering daarvan op zichzelf nooit een grond voor wraking kan vormen, tenzij deze zodanig onbegrijpelijk is dat geen andere verklaring mogelijk is dan vooringenomenheid.
De wrakingskamer constateerde dat de gewraakte bewoordingen in het kader van een regiezitting zijn gegeven, waarbij onderzoekswensen zijn besproken en een voorlopige beslissing is genomen. De motivering weerspiegelt de actuele jurisprudentie en het dossier en is niet onbegrijpelijk of onrechtvaardig. De kamer oordeelde dat er geen objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid bestaat.
Daarom wees de wrakingskamer het verzoek tot wraking af. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2024 door mr. J. Iding, voorzitter, en de leden mr. M.F.M.T. Franke en mr. A.H.J.J. van de Wetering. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.