ECLI:NL:RBOBR:2024:5757

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2024
Publicatiedatum
28 november 2024
Zaaknummer
C/01/406779 / HA ZA 24-463
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 106 RvArt. 99 RvArt. 42 FwArt. 47 Fw
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in geschil over eigendom vliegtuig en verwijst zaak naar rechtbank Den Haag

In deze civiele bodemzaak staat de vraag centraal wie de eigenaar is van een vliegtuig: de curator van Jet Effective B.V. in faillissement of Culimarque Holding B.V. De curator stelt dat het vliegtuig onderdeel uitmaakt van de faillissementsboedel en startte daarom de procedure. Culimarque betwist dit en stelt dat zij de rechtmatige eigenares is.

Het incident betreft de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Oost-Brabant om van het geschil kennis te nemen. De curator baseert zijn bevoegdheidsclaim op artikel 106 Rv Pro, dat een alternatieve bevoegdheidsregeling geeft voor zaken die betrekking hebben op de toepassing van faillissementswetgeving. Culimarque betwist dit en vordert verwijzing naar de rechtbank Den Haag.

De rechtbank oordeelt dat de kern van het geschil niet gaat over de toepassing van de faillissementswet, maar over de vraag of het vliegtuig in 2014 is verkocht en geleverd aan Jet Effective B.V. en of het daarna is teruggegeven aan Culimarque. Dit zijn civielrechtelijke vragen die niet onder artikel 106 Rv Pro vallen. Ook de subsidiaire vordering van de curator dat een eventuele overdracht in strijd zou zijn met artikel 42 of Pro 47 Fw is onvoldoende onderbouwd om het incident als faillissementszaak te kwalificeren.

Daarom is artikel 106 Rv Pro niet van toepassing en geldt de hoofdregel van artikel 99 Rv Pro, waardoor de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak doorverwijst naar de rechtbank Den Haag. De curator wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Den Haag.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/406779 / HA ZA 24-463
Vonnis in incident van 4 december 2024
in de zaak van
CORNELIS WILHELMUS HENDRIKUS MARIA UITDEHAAG Q.Q.,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van
JET EFFECTIVE B.V.,
te Veldhoven,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. F.A.R. Verhaegh,
tegen
CULIMARQUE HOLDING B.V.,
te 's-Gravenhage,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: Culimarque,
advocaat: mr. M.M. van Leeuwen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de incidentele conclusie houdende exceptie van (relatieve) onbevoegdheid,
- de conclusie van antwoord in het incident,
- de conclusie van repliek in het incident,
- de conclusie van dupliek in het incident.
1.2.
Vervolgens is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
De hoofdzaak gaat over een vliegtuig. Volgens de curator hoort dat vliegtuig in de boedel van Jet Effective B.V. Daarom is hij deze procedure gestart. Volgens Culimarque is zij echter eigenares van het vliegtuig.
2.2.
Het incident gaat over de vraag of deze rechtbank relatief bevoegd is van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. Volgens de curator is dat op grond van artikel 106 Rv Pro het geval. Culimarque betwist dat artikel 106 Rv Pro van toepassing is en vordert verwijzing naar de rechtbank Den Haag.
2.3.
De rechtbank overweegt in het incident als volgt.
2.4.
Artikel 106 Rv Pro geeft een alternatieve bevoegdheidsregeling in zaken “betreffende de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake faillissement”. Dan is mede bevoegd de rechtbank waaruit de rechter-commissaris is benoemd.
2.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is in casu geen sprake van een zaak “betreffende de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake faillissement”. De zaak gaat, naar het voorlopige oordeel van de rechtbank, namelijk in de kern om de vragen of op of rond 2014 het vliegtuig is verkocht en geleverd aan Jet Effective B.V. en, zo ja, of het vliegtuig daarna terug is overgedragen aan Culimarque. Deze vragen zullen aan de hand van de (algemene) bepalingen van het burgerlijk wetboek en het wetboek van burgerlijke rechtsvordering worden beantwoord. Dat hierbij de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake faillissement aan de orde is, is de rechtbank niet gebleken. Dat het hier gaat om een vordering van een curator in een faillissement is enkel onvoldoende om aan te nemen dat dit een zaak “betreffende de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake faillissement” is.
2.6.
De curator heeft subsidiair gevorderd te verklaren voor recht dat een eventuele overdracht van het vliegtuig in strijd is met artikel 42 Fw Pro of artikel 47 Fw Pro, maar die vordering maakt de zaak nog geen zaak “betreffende de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake faillissement”. De subsidiaire vordering had ertoe kunnen leiden dat dit als een zaak “betreffende de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake faillissement” zou worden aangemerkt, maar de curator heeft (vooralsnog) te weinig aanknopingspunten gesteld waaruit volgt dat aan de voorwaarden van artikel 42 Fw Pro of van artikel 47 Fw Pro is voldaan. Dat het in deze zaak dus over de toepassing van artikel 42 Fw Pro of artikel 47 Fw Pro zal gaan is de rechtbank vooralsnog niet gebleken.
2.7.
De conclusie is dan ook dat artikel 106 Rv Pro niet van toepassing is zodat wordt teruggevallen op de hoofdregel van artikel 99 Rv Pro. Dit betekent dat de zaak zal worden doorverwezen naar de rechtbank Den Haag.
2.8.
De curator is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Culimarque worden begroot op:
- salaris advocaat
614,00
(1 punt × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
792,00

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,
3.2.
veroordeelt de curator in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de curator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis, wat betreft het bepaalde in r.o. 3.2, uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.4.
verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt naar de rechtbank Den Haag.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2024.