Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 10 juni 2024
- de schriftelijke reactie van de rechter van 11 juni 2024.
Rechtbank Oost-Brabant
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter-commissaris die belast is met de getuigenverhoren in zijn strafzaak. Hij stelde dat de rechter niet in staat is om de juiste vragen te stellen aan getuigen die voormalige klanten van verzoeker zijn, omdat zij geen kennis heeft van de omvangrijke cliëntenadministratie en de afspraken die telefonisch of mondeling zijn gemaakt. Verzoeker vreesde hierdoor dat zijn verdedigingsrechten, waaronder het recht op een eerlijk proces zoals verankerd in artikel 6 EVRM Pro, zouden worden geschaad.
De rechter-commissaris heeft het verzoek van verzoeker om bij de getuigenverhoren aanwezig te zijn afgewezen zonder nadere motivering. Verzoeker interpreteerde dit als een aanwijzing van vooringenomenheid en partijdigheid. De wrakingskamer heeft echter geoordeeld dat een dergelijke tussenbeslissing over procesvoering nooit een grond kan vormen voor wraking, omdat de beoordeling van de juistheid van die beslissing voorbehouden is aan de rechter die de zaak inhoudelijk behandelt.
Verder achtte de wrakingskamer de stellingen van verzoeker onvoldoende om een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid aan te nemen. Het is bovendien gebruikelijk dat een verdachte niet aanwezig is bij getuigenverhoren door de rechter-commissaris en verzoeker is geïnformeerd over de mogelijkheid om schriftelijk vragen aan de getuigen in te dienen. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen zonder mondelinge behandeling, en is tegen deze beslissing geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris wordt afgewezen wegens het ontbreken van gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.