ECLI:NL:RBOBR:2024:6107

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 juni 2024
Publicatiedatum
5 december 2024
Zaaknummer
WR24/020
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter-commissaris in strafzaak wegens gebrek aan gegronde partijdigheidsvrees

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter-commissaris die belast is met de getuigenverhoren in zijn strafzaak. Hij stelde dat de rechter niet in staat is om de juiste vragen te stellen aan getuigen die voormalige klanten van verzoeker zijn, omdat zij geen kennis heeft van de omvangrijke cliëntenadministratie en de afspraken die telefonisch of mondeling zijn gemaakt. Verzoeker vreesde hierdoor dat zijn verdedigingsrechten, waaronder het recht op een eerlijk proces zoals verankerd in artikel 6 EVRM Pro, zouden worden geschaad.

De rechter-commissaris heeft het verzoek van verzoeker om bij de getuigenverhoren aanwezig te zijn afgewezen zonder nadere motivering. Verzoeker interpreteerde dit als een aanwijzing van vooringenomenheid en partijdigheid. De wrakingskamer heeft echter geoordeeld dat een dergelijke tussenbeslissing over procesvoering nooit een grond kan vormen voor wraking, omdat de beoordeling van de juistheid van die beslissing voorbehouden is aan de rechter die de zaak inhoudelijk behandelt.

Verder achtte de wrakingskamer de stellingen van verzoeker onvoldoende om een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid aan te nemen. Het is bovendien gebruikelijk dat een verdachte niet aanwezig is bij getuigenverhoren door de rechter-commissaris en verzoeker is geïnformeerd over de mogelijkheid om schriftelijk vragen aan de getuigen in te dienen. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen zonder mondelinge behandeling, en is tegen deze beslissing geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris wordt afgewezen wegens het ontbreken van gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 24-020
Beslissing van 13 juni 2024
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. E.C.P.M. Valckx,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van 10 juni 2024
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 11 juni 2024.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter als de rechter-commissaris in de zaak met nummer 01-322491-20 tegen verzoeker als verdachte.
2.2.
Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd. Op 14 en 27 juni 2024 zijn er getuigenverhoren gepland. De getuigen zijn klanten van verzoeker geweest en verzoeker is de enige die de kennis en kunde heeft om de getuigen te kunnen horen. De cliëntenadministratie is namelijk omvangrijk en er zijn veel afspraken telefonisch of mondeling gemaakt. De rechter kan niet de juiste vragen aan de getuigen stellen, omdat zij geen kennis heeft van die cliëntenadministratie en de afspraken die per cliënt en per behandeling zijn gemaakt. Als de rechter de vragen stelt aan de getuigen wordt niet tegemoet gekomen aan de verdedigingsrechten die verzoeker heeft volgens het recht op een eerlijk proces, zoals genoemd in artikel 6 EVRM Pro. Verzoeker heeft de rechter daarom gevraagd of hij bij de getuigenverhoren aanwezig mag zijn, maar dat verzoek is afgewezen bij brief van 5 juni 2024. De rechter heeft dit besluit niet gemotiveerd. Hierdoor heeft de rechter verzoeker het gevoel gegeven dat zij vooringenomen en partijdig is.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Verzoeker vindt de rechter vooringenomen omdat zij verzoeker niet toestaat aanwezig te zijn bij de getuigenverhoren. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een dergelijke rechterlijke (tussen)beslissing nooit grond kan vormen voor wraking. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).
3.3.
Ook overigens ziet de wrakingskamer in de stellingen van verzoeker geen aanleiding om daaruit vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor af te leiden; deze kunnen daarom niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden. Bij dat oordeel heeft de wrakingskamer betrokken dat het -zoals ook de rechter in haar reactie heeft vermeld- gebruikelijk is dat een verdachte zelf niet aanwezig is bij getuigenverhoren door de rechter-commissaris en dat verzoeker is geïnformeerd over de mogelijkheid om de vragen die hij aan de getuigen zou willen stellen, schriftelijk van tevoren in te dienen.
3.4.
Het wrakingsverzoek zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
3.5.
Voor een behandeling van het verzoek ter zitting bestaat geen reden. Het in de wet
opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het
debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het
vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
- wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mrs J.O.Y. Elagab, voorzitter, mr. H.M.H. de Koning en mr. J. Iding, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in openbaar uitgesproken op
13 juni 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.