ECLI:NL:RBOBR:2024:6109
Rechtbank Oost-Brabant
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters wegens vermeende partijdigheid na tussenvonnis
Een gedetineerde heeft op 21 juni 2024 een wrakingsverzoek ingediend tegen drie rechters van de rechtbank Oost-Brabant, naar aanleiding van een tussenvonnis van 20 juni 2024 in zijn strafzaak. Hij stelde dat het tussenvonnis, waarbij het openbaar ministerie werd opgedragen nader onderzoek te doen naar zijn verklaring over witwassen, de schijn van partijdigheid wekte.
De rechters hebben in hun schriftelijke reactie aangegeven niet in het wrakingsverzoek te berusten en stelden dat zij geen vooringenomenheid vertoonden. Tijdens de mondelinge behandeling op 27 juni 2024 waren de rechters niet aanwezig, maar verzoeker en zijn raadsman lichtten het verzoek toe.
De wrakingskamer oordeelde dat een onwelgevallige of mogelijk onjuiste procesbeslissing op zichzelf geen grond voor wraking vormt, tenzij deze zo onjuist is dat alleen vooringenomenheid dit kan verklaren. Dit was niet het geval. Er was geen sprake van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. Het wrakingsverzoek werd daarom ongegrond verklaard.
De beslissing is op 8 juli 2024 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.