Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling die plaats heeft gevonden op 26 november 2024
- de pleitnota van de Ontvanger.
Rechtbank Oost-Brabant
In deze zaak staat een executiegeschil centraal omtrent de erkenning van preferente belastingvorderingen van de Belastingdienst in het faillissement van Kooilust Investments N.V., dat sinds 2005 loopt. Eiser betwist de rechtmatigheid van deze vorderingen, stellende dat er geen aansprakelijkstelling jegens Kooilust heeft plaatsgevonden en dat de vorderingen verjaard zijn.
De rechtbank overweegt dat de curator de vorderingen van de Belastingdienst heeft erkend tijdens de verificatievergadering in 2021, waarna de rechter-commissaris deze erkenning heeft bevestigd. Eiser heeft hiertegen hoger beroep ingesteld, maar dit is door de rechtbank in 2021 ongegrond verklaard, en deze beschikking heeft kracht van gewijsde. Ook latere verzoeken van eiser om correcties op de lijst van erkende vorderingen zijn afgewezen.
De rechtbank benadrukt dat de erkenning van een vordering in het faillissement kracht van gewijsde heeft en dat inhoudelijke bezwaren zoals verjaring of het ontbreken van aansprakelijkstelling in een executiegeschil niet aan de orde zijn. Er is geen sprake van een evidente juridische of feitelijke misslag in eerdere beslissingen. Daarom worden de vorderingen van eiser afgewezen en wordt hij veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.