Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2024:6282

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 juli 2024
Publicatiedatum
12 december 2024
Zaaknummer
WR 24-024
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter afgewezen wegens gebrek aan gegronde vrees voor vooringenomenheid

Verzoeker, eiser in een bestuursrechtelijke procedure tegen het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven, heeft tweemaal een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die zijn zaak behandelde. Het eerste verzoek werd afgewezen bij beschikking van 4 juni 2024. Tijdens de mondelinge behandeling van het verzetschrift op 18 juli 2024 diende verzoeker opnieuw een wrakingsverzoek in.

De wrakingskamer heeft dit verzoek inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde gronden, waaronder de bewering dat de rechter deel uitmaakt van een criminele organisatie en onvoldoende behandeling van stukken, niet leiden tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. De rechter heeft het proces zorgvuldig gevoerd, verzoeker voldoende gelegenheid gegeven zijn standpunten toe te lichten en het dossier volledig behandeld.

Daarnaast is vastgesteld dat verzoeker het wrakingsinstrument misbruikt door herhaaldelijk wrakingsverzoeken in te dienen zonder gegronde grondslag, wat leidt tot onredelijke vertraging van de procedure. Daarom is bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling wordt genomen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard en afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid en misbruik van het wrakingsinstrument.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 24-024

Beslissing van 30 juli 2024

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van:
mr. M. Kleijn Hesselink,
rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.

De procedure

1.1.
Verzoeker is eiser in het beroep dat hij heeft ingesteld tegen een beslissing van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (het college).
Het college heeft aan verzoeker een brief gestuurd ter uitvoering van een eerder getroffen schikking. Het college heeft beslist dat het bezwaar van verzoeker tegen deze brief niet-ontvankelijk is, omdat de brief geen besluit is zoals bedoeld in de Awb. Verzoeker is tegen die beslissing in beroep gegaan. Met de uitspraak van 21 december 2023 is zijn beroep kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarom uitspraak gedaan zonder zitting. Deze zaak is bij de rechtbank bekend onder het zaaknummer 23/1582.
1.2.
Omdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan zonder zitting en verzoeker het niet eens was met de uitspraak, heeft hij een verzetschrift ingediend. Ook deze zaak is bekend onder het zaaknummer 23/1582. Op 17 mei 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden over het verzetschrift. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft verzoeker de rechter gewraakt.
1.3.
De wrakingskamer heeft bij beschikking van 4 juni 2024, bekend onder
zaaknummer WR 24/016 het verzoek tot wraking afgewezen.
1.4.
Het onderzoek ter zitting naar aanleiding van het verzetschrift is vervolgens op de mondelinge behandeling van 18 juli 2024 hervat. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft verzoeker de rechter wederom gewraakt.
1.5.
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 juli 2024 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 22 juli 2024.

Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop

2.1
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 juli 2024 blijkt dat verzoeker het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd:
- er is sprake van een criminele organisatie, waar de rechter, net als alle andere rechters, lid van is;
- de rechter weigert uitspraak te doen over alle stukken die in het dossier zitten;
- de rechter heeft de door verzoeker ingediende stukken onvoldoende behandeld;
- verzoeker heeft onvoldoende tijd gekregen om zijn woord te doen en is onvoldoende door de rechter gehoord;
- de wrakingskamer heeft onjuist gehandeld door het wrakingsverzoek af te wijzen zonder verzoeker te horen.
2.2
In haar reactie van 22 juli 2024 geeft de rechter gemotiveerd aan dat zij niet berust in het wrakingsverzoek.

De beoordeling

3.1
Artikel 8:15 van Pro de Awb bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2
Naar het oordeel van de wrakingskamer is van voornoemde uitzonderlijke omstandigheden en zwaarwegende aanwijzingen voor het aannemen van partijdigheid geen sprake. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3.3
Verzoeker heeft onder meer aangevoerd dat het gerecht een criminele organisatie is en dat iedere rechter lid is van een criminele organisatie. Deze stelling kan niet anders worden opgevat dan dat verzoeker bezwaren heeft tegen elke rechter van de rechtbank, in welke samenstelling dan ook, en bevat geen feiten of omstandigheden die de persoon van de individuele rechter betreft die betrokken is bij de behandeling van de genoemde verzetszaak. Voor zover het wrakingsverzoek ziet op wraking van alle rechters moet dit buiten behandeling worden gelaten.
3.4
Ook heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat de rechter vooringenomen is
omdat zij de door hem ingezonden stukken niet voldoende heeft behandeld en omdat hij niet
voldoende door de rechter is gehoord. De rechter heeft toegelicht dat het onderzoek ter
zitting met betrekking tot het ingediende verzetschrift op de mondelinge
behandeling van 18 juli 2024 is hervat in de stand waarin zich die bevond op 17 mei 2024,
voorafgaand aan het (eerdere) wrakingsverzoek. De zaak die toen aan de rechter voorlag was
op 17 mei 2024 al (nagenoeg) in zijn geheel behandeld. De rechter heeft aan verzoeker
aangegeven geen vragen meer te hebben en heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld
aanvullende opmerkingen over de voorliggende zaak te maken. Uit het proces-verbaal van de
mondelinge behandeling van 18 juli 2024 blijkt dat verzoeker heeft aangegeven dat hij
voldoende heeft gezegd over de voorliggende zaak en dat het voor hem duidelijk is.
Naar het oordeel van de wrakingskamer is uit de beschikbare stukken en ook overigens niet gebleken van (de schijn van) vooringenomenheid.
3.5
Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling van 18 juli 2024 ook bezwaren geuit tegen de (beslissing van de) wrakingskamer, die op 4 juni 2024 een beslissing heeft genomen op het wrakingsverzoek dat hij tijdens de mondelinge behandeling van 17 mei 2024 heeft ingediend tegen dezelfde rechter in dezelfde zaak. De wet voorziet echter niet in een rechtsmiddel tegen de beslissing van de wrakingskamer nadat deze is genomen op een eerder verzoek tot wraking. In zoverre kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.
3.6
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat naar het oordeel van de wrakingskamer geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
3.7
Verzoeker heeft de rechter in deze procedure inmiddels twee keer gewraakt. Beide verzoeken zijn niet gehonoreerd en hebben geleid tot een onredelijke vertraging van de rechtspleging. Naar het oordeel van de wrakingskamer gebruikt verzoeker het middel van wraking voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. Daarmee is sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.

De beslissing

De rechtbank:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van de wrakingskamer;
wijst het verzoek tot wraking van de rechter af;
bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van de behandelend rechter in de zaak met zaaknummer 23/1582 niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door de mr. H.M.H. de Koning, voorzitter,
mr. J.H.L.M. Snijders en mr. M. de Vries, leden, in tegenwoordigheid van
mr. S.F.M. van den Berge, griffier en in openbaar uitgesproken op 30 juli 2024.
de griffier, de voorzitter,
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 8:18, vijfde lid, Awb).