De zaak betreft een huurovereenkomst die door de verhuurder is opgezegd wegens dringend eigen gebruik. De huurder heeft de woning verlaten, maar stelt dat de verhuurder nooit de intentie had het gehuurde duurzaam zelf te gebruiken. De verhuurder heeft het gehuurde na beëindiging te koop en te huur aangeboden, wat de huurder aanvoert als bewijs van het ontbreken van de wil tot eigen gebruik.
De verhuurder heeft zijn vorderingen in conventie ingetrokken, maar de huurder vordert in reconventie een schadevergoeding wegens onrechtmatige beëindiging van de huurovereenkomst. De kantonrechter stelt vast dat de verhuurder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het peilmoment daadwerkelijk de wil had het gehuurde zelf te gebruiken. De huurder maakt daarom aanspraak op een schadevergoeding van €11.535,00.
De kantonrechter wijst de vordering tot vergoeding van verhuis- en inrichtingskosten af omdat de beëindigingsvordering niet door de rechter is toegewezen. De proceskosten worden aan de zijde van de verhuurder vastgesteld en de verhuurder wordt veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.