De rechtbank Oost-Brabant heeft op 13 december 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van de verlengde uitvoer en het vervoer van 3-Chloormethylcathinon (3-CMC), een middel op lijst I van de Opiumwet.
Op 29 mei 2024 werd verdachte aangehouden op Eindhoven Airport met in zijn koffer twee zakken kattenbakgrind waarin in totaal 9.743,6 gram 3-CMC werd aangetroffen. Verdachte had de koffer ingecheckt voor een vlucht naar Barcelona, wat volgens de rechtbank valt onder de definitie van verlengde uitvoer. Uit chatberichten en verklaringen bleek dat verdachte samenwerkte met een medeverdachte die hem had opgehaald en naar het vliegveld had gebracht.
De verdediging voerde aan dat verdachte dacht dat het om 2-MMC ging en slechts onvoorzichtig had gehandeld, maar de rechtbank verwierp dit opzetverweer. Verdachte had bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het om illegale middelen ging. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte samen met medeverdachte de 3-CMC buiten Nederland heeft gebracht en vervoerd.
Gezien de hoeveelheid drugs, de ernst van het feit en het maatschappelijke belang van volksgezondheid, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 48 maanden op, met aftrek van voorarrest. Er werd rekening gehouden met het strafblad van verdachte en de toepassing van eendaadse samenloop, waardoor de straf niet werd verhoogd. De rechtbank wees verzoeken tot strafmatiging af.