Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
Beslissing van 11 september 2024
artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv)
Rechtbank Oost-Brabant
Verdachte diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter vanwege vermeende partijdigheid en onrechtmatige bejegening tijdens een zitting op 30 augustus 2024. Tijdens deze zitting uitte verdachte diverse beschuldigingen richting de rechter, waaronder victim-blaming en het schenden van de eed. Verdachte weigerde zich te conformeren aan de zittingsregels en werd onder begeleiding van de parketpolitie verwijderd.
De wrakingskamer bood verdachte de gelegenheid om de gronden van het verzoek schriftelijk toe te lichten, maar hiervan werd geen gebruik gemaakt. De kamer oordeelde dat de uitlatingen en gedragingen van verdachte geen concrete feiten bevatten die de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor aannemelijk maken.
De klachten van verdachte betroffen vooral de wijze van bejegening en de beslissing tot verwijdering uit de raadkamer, hetgeen niet binnen het bereik van de wrakingsprocedure valt. De kamer concludeerde dat het verzoek ongegrond is en wees het af zonder mondelinge behandeling, conform artikel 512 en Pro 515 Sv.
Uitkomst: Wrakingsverzoek afgewezen wegens het ontbreken van concrete feiten die vooringenomenheid van de rechter aantonen.