ECLI:NL:RBOBR:2024:6449

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2024
Publicatiedatum
19 december 2024
Zaaknummer
01/127122-22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontnemingsbeslissing wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennephandel en criminele activiteiten

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 19 december 2024 een ontnemingsbeslissing genomen in de zaak tegen de veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor betrokkenheid bij de handel in hennep en deelname aan een criminele organisatie. De officieren van justitie vorderden aanvankelijk €36.295,00, later verhoogd tot €154.936,00, maar de rechtbank stelde het ontnemingsbedrag vast op €30.987,50.

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op concrete betalingen die de veroordeelde ontving voor de verkoop en levering van hennepstekken, het regelen van knippers voor hennepok oogst, en andere activiteiten binnen de criminele organisatie. De verdediging voerde onder meer aan dat bepaalde bedragen niet meegenomen konden worden vanwege het Geerings-arrest, maar dit verweer werd verworpen.

De rechtbank oordeelde dat extrapolatie van betalingen over langere perioden niet verantwoord was vanwege de variëteit in activiteiten en betalingen. Tevens werd vastgesteld dat de veroordeelde al gecompenseerd was voor overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak, zodat geen nieuwe compensatie werd toegekend.

Op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht werd de veroordeelde verplicht tot betaling van €30.987,50 aan de Staat. Tevens werd de maximale gijzelingstermijn vastgesteld op 619 dagen. Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €30.987,50 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.127122.22 (ontneming)
Datum uitspraak: 19 december 2024
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1984] ,
wonende te [adres] ,
hierna: “de veroordeelde”.

Onderzoek van de zaak:

De vordering van de officieren van justitie van 20 november 2023 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 36.295,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officieren van justitie hebben bij conclusie van eis van 13 september 2024 de vordering gewijzigd in die zin dat een bedrag van € 181.475,00 wordt gevorderd.
De verdediging heeft daarop bij conclusie van antwoord van 28 oktober 2024 gereageerd.
De officieren van justitie hebben ter terechtzitting van 21 november 2024 bij requisitoir de vordering gewijzigd in die zin dat nu een bedrag van € 154.936,00 wordt gevorderd.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 december 2023 en 21 november 2024.

De beoordeling

Het standpunt van de officieren van justitie.
De officieren van justitie hebben ter terechtzitting van 21 november 2024 bij requisitoir de vordering gewijzigd in die zin dat nu een bedrag van € 154.936,00 wordt gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft ter terechtzitting van 21 november 2024 de gronden zoals vermeld in de conclusie van antwoord van 22 oktober 2024 herhaald.
Primair heeft de verdediging betoogd dat het bedrag van € 20.710,00 (€ 14.830,00 +
€ 5.880,00) niet kan worden meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, vanwege de rechtsregels uit het Geerings-arrest [1] . Volgens de verdediging resteren dan twee betalingen: die van 4 april 2020 (€ 540,00) en 15 april 2020 (€ 812,20). In totaal € 1.352,20. De verdediging gaat uit van een bruto voordeel van € 1.352,20.
Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat – indien de rechtbank de officieren van justitie volgt dat extrapoleren mogelijk is – uitgegaan dient te worden van de volgende berekening. Het gemiddelde van de bedragen over 4 en 15 april 2020 is € 676,10 (1.352,20 / 2). Uit de inhoud van het Excelbestand met de peilbakengegevens, blijkt dat op de data 6 december 2020, 16 januari 2020 en 24 maart 2020 geen stop is geweest. Er staat namelijk geen ‘stop’ achter de datum, maar juist 'move'. Om deze reden kan niet uitgesloten worden dat vermoedelijk [persoon 1] (of iemand anders) alleen door de Heggestraat is gereden. Dan zouden er mogelijk in totaal zeventien betalingen overblijven. Indien er geëxtrapoleerd zou kunnen worden, dan geeft dit over zeventien betalingen de navolgende berekening: € 11.493,70 bruto (17 x € 676,10).
Het oordeel van de rechtbank.
De vordering is tijdig ingediend.
De rechtbank heeft in de strafzaak bewezen verklaard dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegden
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11 derde Pro, vierde en vijfde lid van de Opiumwet. [2]
Hierna wordt verwezen naar processen-verbaal uit het dossier van de strafzaak (hierna: het dossier). [3] In de zaak van de veroordeelde is geen rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel opgesteld.
De veroordeelde is veroordeeld voor onder meer het verkopen en afleveren van ongeveer 1.200 hennepstekken en ongeveer 360 hennepstekken.

Voordeel uit strafbare feiten waarvoor veroordeelde is veroordeeld
1.200 hennepstekken.
De rechtbank heeft bij vonnis van 23 juli 2024 overwogen dat de veroordeelde met betrekking tot de 1.200 hennepstekken een bedrag van € 4.500,00 betaald heeft gekregen van [persoon 2] . Voor de berekening van het netto verkregen voordeel heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij berichten omtrent een andere (latere) partij van 1.200 hennepstekken.
Uit een gesprek van 15 april 2020 tussen [persoon 2] en [verdachte] blijkt dat 1200 stekken ‘4500’ (rechtbank: € 4.500,00) hebben opgeleverd en dat daarvan ‘2250’ (rechtbank: € 2.250,00) voor ‘venlo’ en ‘1000’ (rechtbank: € 1.000,00) voor ‘yooo’ is. Er blijft dan ‘1250’ (rechtbank: € 1.250,00) over voor de veroordeelde en [persoon 2] , wat neerkomt op ‘625’ (rechtbank: € 625,00) ‘de man’. [4] Oftewel, de veroordeelde heeft aan die latere partij van 1.200 hennepstekken een bedrag van
€ 625,00verdiend. De rechtbank acht het aannemelijk dat de veroordeelde eenzelfde bedrag heeft verdiend aan de bewezenverklaarde verkoop en levering van 1200 hennepstekken.
360 hennepstekken.
Uit berichten van 15 april 2020 [5] leidt de rechtbank af dat [persoon 2] via [persoon 1] € 1.620,00 (€ 8645,00 - € 7.025,00) heeft laten afgeven aan veroordeelde voor bewezenverklaarde verkoop en levering van 360 hennepstekken. In het voordeel van veroordeelde gaat de rechtbank ervan uit dat dit een brutobedrag is.
Zoals hiervoor overwogen, blijkt dat de veroordeelde met betrekking tot de verkoop en levering van 1.200 hennepstekken een bedrag overhield van € 625,00 netto. Dat is ongeveer € 0,52 per hennepstek (€ 625,00 / 1.200 hennepstekken). De rechtbank acht het op basis daarvan aannemelijk dat de veroordeelde aan het bewezenverklaarde verkopen en afleveren van 360 hennepstekken een bedrag van
€ 187,50(€ 625,00 / 1200 x 360) heeft verdiend.
Uit de bewezenverklaarde strafbare feiten heeft veroordeelde dus een voordeel genoten van
€ 812,50(€ 625,00 + € 187,50).

Voordeel uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat die door veroordeelde zijn begaan
Geen beletsel voor ontneming van voordeel uit andere strafbare feiten
Naar het oordeel van de rechtbank staat het Geerings-arrest [6] er niet aan in de weg om de hierna genoemde bedragen te ontnemen. De rechtbank heeft de veroordeelde bij vonnis van 23 juli 2024 uitsluitend vrijgesproken van het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verstrekken, vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van specifiek een grote hoeveelheid van ongeveer 1200 hennepstekken en ongeveer 360 hennepstekken. Anders dan de verdediging stelt, heeft de rechtbank de veroordeelde niet vrijgesproken van alle handelingen die in de tenlastegelegde periode zouden hebben plaatsgevonden ten aanzien van andere hoeveelheden verdovende middelen. Handelingen, zoals bijvoorbeeld het regelen van knippers, zijn niet ten laste gelegd en daar is dus ook geen vrijspraak op gevolgd. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Het regelen van knippers ten behoeve van 195,2 kilogram hennep.
Bij vonnis van 23 juli 2024 heeft de rechtbank ook overwogen dat uit het dossier blijkt dat de veroordeelde knippers regelde; onder meer voor de kweek van 195,2 kilogram hennep van medeveroordeelde [medeverdachte] in april 2020. Dit is beschreven in proces-verbaal AMB-133, paragraaf 3.3. [7] Uit de in dat proces-verbaal opgenomen chatberichten volgt dat de veroordeelde in de vroege ochtend van 8 april 2020 aan [persoon 2] liet weten dat de knipwerkzaamheden waren afgerond. Een paar uur later gaf [persoon 2] de opdracht aan [persoon 1] om ‘5880’ (rechtbank: € 5.880,00) in de brievenbus van ‘ [alias verdachte] ’ (rechtbank: een bijnaam van de veroordeelde) te doen. [8] De rechtbank acht op basis van voorgaande aannemelijk dat de veroordeelde
€ 5.880,00heeft gekregen voor het regelen van knippers, althans zijn bemoeienis met de oogst van 195,2 kilogram hennep.
Concrete betalingen die verband houden met de hennephandel
Uit het vonnis in de strafzaak en de bewijsmiddelen ten aanzien van de bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie volgt dat veroordeelde betalingen van [persoon 2] ontving voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de illegale hennephandel. [persoon 1] was degene die het geld afgaf bij de woning van veroordeelde aan de [adres] . Gezien deze gang van zaken acht de rechtbank aannemelijk dat de volgende concrete betalingen moeten worden beschouwd als voordeel uit andere strafbare feiten die door veroordeelde zijn begaan.
Betaling van 31 maart 2020. [9]
Op 30 maart 2020 vraagt [persoon 2] aan [persoon 1] of [persoon 1] morgen rond 930 uur (rechtbank: 09:30 uur)
€ 2.440,00in de bus van [alias verdachte] (rechtbank: de veroordeelde) wil duwen. Volgens de peilbakengegevens is de auto van [persoon 1] op 31 maart 2020 omstreeks 09.33 uur bij de [adres] , waar veroordeelde woont.
Betaling van 15 april 2020. [10]
Uit berichten van 15 april 2020 volgt dat [persoon 1] van [persoon 2] ‘8645’ (rechtbank: € 8.645,00) moet afgeven bij de veroordeelde. Dit bedrag is kennelijk de optelsom van vier bedragen: € 625,00, € 1.000,00, € 5.400,00 en € 1.620. [persoon 2] geeft deze opdracht om 14:50 uur. Volgens de peilbakengegevens is de auto van [persoon 1] vervolgens omstreeks 15.30 uur bij de [adres] , waar veroordeelde woont.
De rechtbank acht aannemelijk dat het bedrag van € 625,00 de netto opbrengst is van de verkoop en levering van 1200 hennepstekken, niet zijnde de verkoop en levering die bewezen is verklaard (het voordeel uit de bewezenverklaarde verkoop en levering is hiervoor al besproken). Dit volgt rechtstreeks uit de chatberichten. Het kan naar het oordeel van de rechtbank voorts niet anders dan dat de bedragen € 1.000,00 en € 5.400,00 eveneens betrekking hebben op werkzaamheden ten behoeve van de hennephandel. Dat er kosten in aftrek moeten worden genomen met betrekking tot deze bedragen, is niet gebleken. Het bedrag van € 1.620,00 heeft betrekking op de bewezen verklaarde verkoop en levering van 360 hennepstekken. Het netto voordeel dat verdachte daaruit heeft genoten, is hiervoor al berekend. De rechtbank zal dit bedrag daarom nu buiten beschouwing laten. Kortom, de rechtbank rekent een bedrag van
€ 7.025,00(€8.645,00 – €1.620,00) aan wederrechtelijk verkregen voordeel toe aan veroordeelde.
Betaling van 10 juni 2020 [11] .
Uit berichten van 10 juni 2020 volgt dat [persoon 1] in opdracht [persoon 2] die dag om 16.00 uur ‘14830’ (rechtbank:
€ 14.830,00) moet afgeven bij de veroordeelde. Volgens de bakengegeven is de auto van [persoon 1] omstreeks 15.55 uur inderdaad bij de [adres] , waar veroordeelde woont.
Extrapolatie?
Naar het oordeel van de rechtbank lenen de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden onvoldoende basis voor extrapolatie over een langere periode, gelet op de variëteit in activiteiten verricht door de veroordeelde (levering van hennepstekken versus diensten ten behoeve van de oogst van hennep) en de omvang van de betalingen per activiteit.
Resumé: berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uit het voorgaande blijkt dat de veroordeelde bij de vijf hiervoor genoemde betalingen in de
in totaal een bedrag van
€ 30.987,50(€ 812,50 + € 5.880 + € 2.440 + € 7.025,00 + € 14.830) heeft ontvangen. Dit is het wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij heeft genoten. Niet is gebleken van meer kostenposten voor rekening van de veroordeelde dan hiervoor genoemd.
Overschrijding redelijke termijn.
De rechtbank constateert dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Bij vonnis van 23 juli 2024 heeft de rechtbank de veroordeelde in de strafzaak reeds gecompenseerd voor deze overschrijding. De rechtbank zal gelet daarop de veroordeelde niet opnieuw compenseren voor de overschrijding (vgl. HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:167).

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 30.987,50(dertigduizend en negenhonderdzevenentachtig euro en vijftig cent).
legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 30.987,50(dertigduizend en negenhonderdzevenentachtig euro en vijftig cent), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat zij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan zij is veroordeeld, heeft verkregen.
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 619 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R. van den Munckhof, voorzitter,
mr. C.W.H. Houg en mr. S.H.C. Merkx, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,
en is uitgesproken op 19 december 2024.

Voetnoten

1.EHRM 1 maart 2007, ECLI:NL:XX:2007:BA1112.
2.Het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer van 23 juli 2024, met parketnummer 01.127122.22.
3.Het procesdossier van de FIOD/Belastingdienst met nr. 61761 (onderzoek Vladimir Hennephandel), aantal pagina’s 5017).
4.AMB-133, p.554 van het dossier.
5.AMB-134, p. 566 e.v.
6.EHRM 1 maart 2007, ECLI:NL:XX:2007:BA1112.
7.AMB-133, p.547 e.v. van het dossier.
8.AMB-133, p. 550 van het dossier
9.AMB-134, p. 560 e.v.
10.AMB-134, p. 566 e.v.
11.AMB-134, p. 568 e.v.