In deze zaak heeft de verzoeker, verdachte in een strafzaak over vermeend bezit van lachgas, een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die de zaak behandelt. Verzoeker stelde dat de rechter al tijdens de zitting had geconcludeerd dat het om lachgas ging, waardoor zijn verweer feitelijk werd uitgesloten. Tevens klaagde de raadsman over de wijze van bejegening door de rechter.
De rechter heeft in haar reactie aangegeven dat zij slechts een zakelijke opsomming van het dossier heeft gegeven zonder conclusies te verbinden, en dat het gebruik van het woord 'lachgas' in de context van de zaak gebruikelijk is. De wrakingskamer heeft beoordeeld dat een rechter vermoed wordt onpartijdig te zijn en dat alleen bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid opleveren tot wraking kunnen leiden.
De wrakingskamer concludeert dat de omstandigheden in deze zaak niet voldoen aan die hoge maatstaf. Het gebruik van het woord 'lachgas' is passend bij het onderwerp van de strafzaak en er zijn geen aanwijzingen dat verzoeker niet meer zijn verweer kon voeren. Klachten over de bejegening van de raadsman zijn niet geschikt voor de wrakingsprocedure en kunnen via een klacht bij het gerechtsbestuur worden ingediend.
Daarom wordt het wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing is op 3 oktober 2024 door de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Oost-Brabant genomen en is onherroepelijk.