Verzoeker, verdachte in een strafzaak, diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter vanwege vermeende partijdigheid. Tijdens een zitting uitte verzoeker zijn onvrede over de procedure en stelde dat de rechter niet onafhankelijk was. De wrakingskamer beoordeelde het verzoek en concludeerde dat de aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid te rechtvaardigen.
De wrakingskamer benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen bijzondere omstandigheden een wraking kunnen rechtvaardigen. Het verzoek werd afgewezen omdat de uitlatingen en beslissingen van de rechter tijdens de zitting geen aanwijzingen voor partijdigheid bevatten.
Daarnaast constateerde de wrakingskamer dat verzoeker het wrakingsinstrument misbruikt door meerdere onterechte wrakingsverzoeken in te dienen, wat heeft geleid tot onredelijke vertraging van de rechtspleging. Daarom werd bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken in deze zaak niet meer in behandeling worden genomen.
De beslissing werd op 22 oktober 2024 door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant uitgesproken, en tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.