ECLI:NL:RBOBR:2024:6773

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 december 2024
Publicatiedatum
5 februari 2025
Zaaknummer
WR 24/042
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 AwbArt. 8:18 AwbArtikel 5, tweede lid, onder d Wrakingsprotocol rechtbank Oost-Brabant
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens te late indiening tegen rechter in bestuursrechtelijke zaak

Verzoeker had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de Technische Universiteit Eindhoven over zijn inschrijving als student. Dit beroep werd kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker deed verzet en diende een verzoek tot voorlopige voorziening in, dat door de rechtbank onbevoegd werd verklaard en doorgestuurd naar de Raad van State.

Verzoeker diende vervolgens meerdere wrakingsverzoeken in tegen de behandelende rechters. Het laatste wrakingsverzoek werd ingediend op 3 december 2024, elf dagen na de zitting van 22 november 2024 waarop verzoeker bekend was met de omstandigheden die aanleiding gaven tot wraking.

De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek te laat was ingediend en verzoeker geen redelijke verklaring gaf voor de vertraging. Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling. Er was geen reden voor een mondelinge behandeling, en tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder redelijke verklaring.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 24/042

Beslissing van 17 december 2024

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats]
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van

mr. M. de Vries,

rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

De procedure

1.1
Verzoeker heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen door de Technische Universiteit Eindhoven op zijn verzoek om als student te worden ingeschreven. De rechtbank heeft in zijn uitspraak van 5 april 2024 dit beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.2
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker verzet gedaan en dit verzet is op 22 november 2022 door de rechter op zitting behandeld. Aan dit verzet verbonden heeft verzoeker een verzoek tot voorlopige voorziening ingediend, dat op 22 oktober door de rechtbank is ontvangen. Met de uitspraak van 12 november 2024 heeft de rechter die het verzoek tot voorlopige voorziening in behandeling had, zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek. Het verzoekschrift, met de daarbij behorende stukken, is doorgezonden aan de voorzieningenrechter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verzoeker heeft op 20 november 2024 een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter van zijn verzoek tot voorlopige voorziening. Op 3 december 2024 heeft de wrakingskamer dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
1.3
Hierna heeft verzoeker op 3 december 2024 zijn wrakingsverzoek tegen de rechter ingediend. In zijn verzoek schrijft verzoeker dat de rechter duidelijk heeft gemaakt dat als verzoekers verzet gegrond wordt verklaard, zijn beroep naar de Raad van State wordt verzonden. Verzoeker heeft de rechter vervolgens tevergeefs proberen te vertellen dat dat onjuist is, omdat de rechtbank Oost-Brabant bevoegd is. Het verhaal van de Raad van State is via een derde gesuggereerd en de rechter heeft dit geaccepteerd.
1.4
De rechter heeft gereageerd op het wrakingsverzoek. In zijn reactie schrijft de rechter dat hij niet berust in het wrakingsverzoek.

De beoordeling

2.1
De wrakingskamer oordeelt dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Hierna zal de wrakingskamer uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
2.2
Volgens artikel 8:16 van Pro de Awb moet het verzoek worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven zich hebben voorgedaan. Na indiening van het verzoek wordt de procedure direct geschorst. Zo wordt voorkomen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode waarvan later wordt vastgesteld dat hij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook is beoogd onnodige vertraging van de rechtspleging te voorkomen. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden zijn aan hem bekend geworden op de zitting van 22 november 2024 en het verzoek is gedaan op 3 december 2024. Voor het tijdsverloop van 11 dagen is door verzoeker geen redelijke verklaring gegeven. Het verzoek is daarom te laat ingediend en verzoeker kan dan ook niet worden ontvangen in het verzoek. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek komt de rechtbank daarom niet toe.
2.3
Voor een behandeling van het verzoek op een zitting bestaat geen reden. De wrakingskamer kan het verzoek tot wraking op grond van artikel 5, tweede lid, onder d van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant zonder behandeling ter zitting meteen afdoen wegens niet-ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de wrakingskamer sprake. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

De beslissing

De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door mr. J. Iding, voorzitter, mr. E.C.P.M. Valckx en
mr. F.H.E. Boerma, leden, in tegenwoordigheid van, mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 17 december 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 8:18, vijfde lid, van de Awb).