ECLI:NL:RBOBR:2024:6775

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
5 december 2024
Publicatiedatum
5 februari 2025
Zaaknummer
WR 24/040
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 AwbArt. 6 EVRMArt. 17 EVRMArt. 326 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens ontbreken concrete feiten voor rechterlijke vooringenomenheid

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen drie rechters van de Rechtbank Oost-Brabant omdat zij het niet eens was met de planning van een beroepszaak die volgens haar niet door de bestuursrechtelijke afdeling behandeld mocht worden. Zij stelde dat de rechters partijdig waren en dat haar recht op een eerlijk proces werd geschonden, mede vanwege vermeende schendingen van het EVRM en het VN-Verdrag Gehandicapten.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld en vastgesteld dat een wraking alleen mogelijk is bij concrete feiten die wijzen op rechterlijke vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Verzoekster had geen dergelijke feiten aangevoerd, en haar wraking was bovendien voorwaardelijk, wat volgens de Awb niet is toegestaan.

De rechters gaven aan dat het agenderen van het betwiste beroep geen voorbarige beslissing inhoudt, maar bedoeld is om te bespreken of de rechtbank bevoegd is. De wrakingskamer concludeerde dat het verzoek niet-ontvankelijk is omdat het niet voldoet aan de wettelijke criteria voor wraking en wees het verzoek af. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard en afgewezen wegens het ontbreken van concrete feiten die rechterlijke vooringenomenheid aantonen en het onrechtmatigheid van een voorwaardelijke wraking.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 24-040

Beslissing van 5 december 2024

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op verzoek van:

[verzoekster]

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de (voorwaardelijke) wraking van:

mr. S.A.J. de Jong-Nibourg, mr. C.T.C. Wijsman en mr. R. Grimbergen

rechters bij deze rechtbank, hierna te noemen: de rechters.

De procedure

1.1.
Verzoekster heeft vier beroepschriften ingediend. De beroepen met nummer SHE 23/659, SHE 23/680 en SHE 24/1783 staan op 12 december 2024 op zitting. Op die zitting wordt tevens besproken of het beroepschrift met nummer SHE 24/1783 behandeld gaat worden.
1.2.
Verzoekster is het niet eens met deze gang van zaken, omdat het beroep met nummer SHE 24/1783 niet op zitting gepland had mogen worden. Verzoekster geeft aan dat deze zaak niet door de afdeling bestuursrecht van de rechtbank mag worden behandeld. Zij wraakt de rechters die toestaan dat op de mondelinge behandeling van 12 december 2024 ook gesproken kan worden over het beroep met nummer SHE 24/1783. Verzoekster heeft daarnaast in de zaken SHE 23/659, SHE 23/680 en SHE 23/675 beroep ingesteld. Verzoekster geeft aan dat zij deze ingediende beroepen wel in behandeling worden genomen. Echter niet door de rechters die de beslissing hebben genomen om de zaak met nummer 24/1783 op zitting te plannen.
1.3.
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van:
- het (voorwaardelijk) wrakingsverzoek van verzoekster d.d. 10 oktober 2024;
- de e-mail van verzoekster d.d. 07 november 2024 naar aanleiding van het verzoek om duidelijkheid door de wrakingskamer;
- de schriftelijke reactie van de rechters van 03 december 2024.

Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop

2.1
Uit de brief van 10 oktober 2024 blijkt dat verzoekster het volgende aan haar wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd:
“Bij deze dien ik een klacht in ten aanzien van het inplannen van SHE 24/1783 en ik eis dat dit beroep per direct voorafgaande aan de zittingen van de rol gehaald wordt.Tot de tijd dat ik geen aangetekende brief van u ontvang, waarbij dit ingediende beroep door de gemeente is ingetrokken, wraak ik iedere rechter die deze art. 6 EVRM Pro schending toelaat in de meervoudige kamer.
Bovendien is het voor mij onmogelijk om al om tien uur bij de rechtbank te zijn (…).
ik beroep mij bovendien op het Internationale VN Verdrag Gehandicapten daar u mij discrimineert en niet de aanpassingen biedt zodat ik een eerlijk proces kan voeren (…).
Ik word door deze gehele rechtbank s Hertogenbosch buitengesloten van enig recht en kan hier geen eerlijk proces meer krijgen. Dat komt omdat de rechtbank voorafgaande aan de regiezitting in overleg is getreden met de nationale autoriteit en volledig partijdig is geworden in het voordeel van de nationale autoriteiten. Er is vooraf met 20 man vergaderd en de rechter deed precies wat er is afgesproken. Daarna zijn de zittingen niet gepland totdat ik hem gedaagd heb via de hoge raad. Dan doet deze rechtbank alsof de klacht niet is aangekomen. Ik heb de klachten via uw eigen systeem verstuurd en via een aangetekend schrijven. Dan heeft u uw processen niet op orde. (…)
Ik vertrouw u niet, totaal niet en geloof dus ook niet meer in een eerlijk proces. Ik kom enkel naar uw rechtbank voor de beroepen die ik zelf heb ingediend en erken het nummer dat u tegen mijn wil in het leven heeft geroepen en waar u mijn naam aan heeft gelinkt: NIET. Dit is een AVG schending en misbruik van het recht art. 17 en Pro art 6 EVRM Pro. Als u dit nummer niet verwijdert probeert u mijn inschuld via listige kunstgrepen en een samenraapsel van verdichtsels om een inschuld teniet te doen. Art. 326 Sr Pro. Daarnaast is dit bedrog, daar u door de mails die ik stuurde weet dat ik dit beroep niet heb ingediend. Dat is knevelarij art. 366 Sr Pro. Hiertoe bent u niet bevoegd en dat is een schending van art. 365 Sr Pro. Door deze brief dwing ik u een keuze te maken waarna er geen sprake meer kan zijn van onwetendheid en neemt u het aannemelijk risico voor de consequenties van uw eigen.”
2.2
In de e-mail van 07 november 2024 vult verzoekster haar (voorwaardelijk) wrakingsverzoek aan met:
“Ik heb geschreven dat ik alle rechters wraak als zij toch het beroep op de rol zetten dat ik niet heb ingediend. Het beroep met nummer 24/1783 is niet mijn beroep. Ik wil niet meer naar het bestuursrecht omdat ik het bestuursrecht zo ie zo niet meer vertrouw. Alles wat er in alle zaken heeft plaatsgevonden stinkt. Van begin tot en met het eind in de vonnissen en proces verbalen. Ik heb nou eenmaal de andere drie beroepen in 23 ingediend en dat is dan mijn probleem. Maar als dit ene beroep ingepland wordt, wraak ik deze rechters die dit hebben toegestaan. Niet de andere beroepen. Ik wil dan nieuwe andere rechters voor die drie beroepen die door de gemeente en het bestuursrecht niet in behandeling zijn genomen. (…) Uiteraard wil ik de drie door mij ingediende beroepen wel in behandeling genomen zien maar niet door rechters die ermee akkoord gaan om een beroep die ik niet indien wel op de rol te zetten.”
2.3
De rechters hebben niet in de wraking berust. In de reactie van 3 december 2024 schrijven de rechters dat met het agenderen van het beroep met nummer SHE 24/1783 – tegelijkertijd met andere zaken van verzoekster – geen voorschot is genomen op de uitkomst daarvan. De ingeplande zitting is bedoeld om met de partijen te bespreken of de bestuursrechter bevoegd is kennis te nemen van het beroep of dat het schrijven van verzoekster moet worden doorgezonden naar het college ter behandeling als bezwaar.

De beoordeling

3.1
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoekster die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2
Verzoekster wraakt de rechters indien de rechters toestaan dat op de zitting van 12 december 2024 ook gesproken zal worden over het beroep met nummer SHE 24/1783. Dit is een wrakingsverzoek onder voorwaarden. De bepalingen over wraking in de Awb voorzien echter niet in de mogelijkheid tot het doen van een voorwaardelijk wrakingsverzoek. De wrakingskamer wijst op de beslissingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] en van het College van Beroep voor het bedrijfsleven. [2]
3.3
De overige aangevoerde gronden zijn niet met voldoende feiten en omstandigheden onderbouwd. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.4
Dit betekent dat het verzoek geen wrakingsverzoek is in de zin van artikel 8:15 van Pro de Awb. Het verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard.

De beslissing

De wrakingskamer:
- verklaart het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.O.Y. Elagab, voorzitter, mr. G.J. Roeterdink en mr. F. Kooijman, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.D.A.J. Hombergen, griffier en in openbaar uitgesproken op 5 december 2024.
de griffier, de voorzitter,
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 8:18, vijfde lid, Awb).

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 07 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1396
2.College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:475.