Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2024:6786

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
12 juli 2024
Publicatiedatum
3 maart 2025
Zaaknummer
24/2607,24/2609,24/2612,24/2614,24/2617,24/2619,24/2621,24/2623,24/2625,24/2628,24/2630,24/2632,24/2634,24/2636
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 2:38b Algemeen Plaatselijke Verordening gemeente Landerd 2017
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering exploitatievergunning recreatiepark

Verzoekers, eigenaren van chalets en stacaravans op recreatiepark Prinsenmeer, vroegen om een voorlopige voorziening tegen de weigering van een exploitatievergunning voor het park. De burgemeester had de vergunning geweigerd en de bezwaren van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbenden zouden zijn.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben omdat zij pas op 1 juli 2024 beroep instelden, terwijl zij al sinds 8 december 2023 niet meer kunnen recreëren. Ook is het niet aannemelijk dat hun bezwaar zal leiden tot een vergunning. De situatie rechtvaardigt daarom geen onverwijld ingrijpen.

De voorzieningenrechter concludeert dat het besluit niet evident onrechtmatig is en dat de verzoeken kennelijk ongegrond zijn. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af wegens gebrek aan spoedeisend belang en omdat het besluit niet evident onrechtmatig is.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 24/2607, SHE 24/2609, SHE 24/2612, SHE 24/2614, SHE 24/2617, SHE 24/2619, SHE 24/2621, SHE 24/2623, SHE 24/2625, SHE 24/2628, SHE 24/2630, SHE 24/2632, SHE 24/2634, SHE 24/2636.
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juli 2024 in de zaken tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (SHE 24/2607)

[verzoekster], uit [woonplaats] , verzoekster (SHE 24/2609)
[verzoekster], uit [woonplaats] , verzoekster, (SHE 24/2612)
[verzoeker], uit [woonplaats] verzoeker, (SHE 24/2614)
[verzoekster], uit [woonplaats] , verzoekster, (SHE 24/2617)
[verzoeker], uit [woonplaats] , België, verzoeker, (SHE 24/2619)
[verzoekster], uit Eindhoven, verzoekster (SHE 24/2621)
[verzoeker], uit [woonplaats] , verzoeker, (SHE 24/2623)
[verzoeker], uit [woonplaats] , verzoeker, (SHE 24/2625)
[verzoeker], uit [woonplaats] , verzoeker, (SHE 24/2628)
[verzoeker], uit [woonplaats] , verzoeker, (SHE 24/2630)
[verzoeker], uit [woonplaats] , verzoeker, (SHE 24/2632)
[verzoekster], uit [woonplaats] , verzoekster, (SHE 24/2634)
[verzoeker], uit [woonplaats] , verzoeker, (SHE 24/2636)
(gemachtigde: mr. C.C.G. van Sadelhoff),
en

de burgemeester van de gemeente Asten, de burgemeester

(gemachtigde: K. Adams).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om voorlopige voorzieningen van verzoekers tegen de besluiten van 27 mei 2024.
1.1.
De burgemeester heeft bij besluit van 4 december 2023 geweigerd aan [naam] B.V. een exploitatievergunning te verlenen voor het recreatiepark [naam] . Met afzonderlijke bestreden besluiten van 27 mei 2024 heeft de burgemeester het bezwaar van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter gevraagd om tijdens de beroepen met de zaaknummers SHE 24/2608 ( [naam] ), SHE 24/2611 ( [naam] ), SHE 24/2613 ( [naam] ), SHE 24/2615 ( [naam] ), SHE 24/2618 ( [naam] ), SHE 24/2620 ( [naam] ), SHE 24/2622 ( [naam] ), SHE 24/2624 ( [naam] ), SHE 24/2627 ( [naam] ), SHE 24/2629 ( [naam] ), SHE 24/2631 ( [naam] ), SHE 24/2633 ( [naam] ), SHE 24/2635 ( [naam] ), SHE 24/2593 ( [naam] ) een voorlopige voorziening te treffen totdat op het beroep is beslist.
1.3.
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Volgens artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
Volgens artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij kennelijk onbevoegd is, of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder zitting.
2.2.
Omdat de verzoeken kennelijk ongegrond zijn doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de verzoeken kennelijk ongegrond zijn.
Spoedeisend belang
3. Verzoekers zijn eigenaar van een chalet of stacaravan op recreatiepark [naam] . Zij zijn geen permanente bewoners maar enkel recreanten op dit park. Het recreatiepark waar verzoekers een chalet of stacaravan hebben mag enkel met een vergunning van de burgemeester geëxploiteerd worden. Op grond van artikel 2:38b, eerste lid, van de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente Landerd 2017 is het namelijk verboden zonder vergunning van de burgemeester een camping of recreatiepark van meer dan 25 recreatieverblijfplaatsen te exploiteren. Bij besluit van 5 december 2023 is een exploitatievergunning aan [naam] B.V voor het exploiteren van een camping of recreatiepark van meer dan 25 recreatieverblijfplaatsen, gevestigd aan de [adres] te [woonplaats] geweigerd. Verzoekers hebben een huurovereenkomst met voornoemde vennootschap op grond waarvan zij een standplaats hebben in het park waarop zij hun chalet of stacaravans hebben geplaatst. De grond is niet hun eigendom. Verzoekers stellen dat zij sinds 8 december 2023 niet meer op het park in hun chalets of stacaravans mogen recreëren. Zij hebben alleen toegang tot het park voor het plegen van onderhoud aan hun chalets of stacaravans.
4. Verzoekers vragen nu om een voorziening die eruit bestaat dat zij worden behandeld alsof er een exploitatievergunning is verleend zodat ze dit zomerseizoen kunnen recreëren.
5. Voor een dergelijke voorziening ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Hierna legt voorzieningenrechter uit waarom.
6. De burgemeester heeft bij besluiten van 27 mei 2024 de bezwaren van verzoekers tegen het besluit van 5 december 2023 niet-ontvankelijk verklaard omdat zij volgens het college geen belanghebbenden zijn bij het besluit tot intrekking van de exploitatievergunning.
7. Pas op 1 juli 2024, wat de urgentie van hun verzoek om tijdens dit zomerseizoen te kunnen recreëren bepaald niet benadrukt, stellen verzoekers beroep in tegen deze beslissingen op bezwaar en vragen zij de hiervoor omschreven voorlopige voorziening. Het verzoek vermeldt vervolgens dat de advocaat verhinderd is voor een zitting vanaf 4 tot 12 juli 2024.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hangende het beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van hun bezwaren, het belang van verzoekers om in de zomer te kunnen recreëren op het desbetreffende park geen dusdanig spoedeisend belang oplevert dat er een onverwijld ingrijpen van de voorzieningenrechter op zijn plaats is.
9. Niet alleen hebben verzoekers er zelf geen blijk van gegeven dat de situatie voor hen daadwerkelijk heel dringend is omdat zij het zelf al op de zomer laten aankomen voordat ze de voorziening indienen en vervolgens kenbaar te maken pas vanaf 12 juli 2024 voor de voorzieningenrechter beschikbaar te zijn, de omstandigheid dat zij niet kunnen recreëren op het desbetreffende park is ook niet van voldoende gewicht om - in afwachting van een uitspraak op het beroep - een snel ingrijpen van de voorzieningenrechter te rechtvaardigen.
10. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat verzoekers kennelijk al vanaf 8 december 2023 niet meer kunnen recreëren op het desbetreffende park en zij eerder geen aanleiding hebben gezien om zich, bijvoorbeeld al in de bezwaarfase, tot de voorzieningenrechter te wenden. Tegen die achtergrond valt niet te zien dat zij nu niet het beroep zouden kunnen afwachten. De financiële investeringen die verzoekers hebben gedaan om gebruik te kunnen maken van hun eigendommen op het park leggen ook onvoldoende gewicht in de weegschaal om de voorzieningenrechter nu tot een onverwijld ingrijpen te noodzaken.
11. Bij gebrek aan een spoedeisend belang ziet de voorzieningenrechter al geen aanleiding om een voorziening te treffen, het vorenstaande zou anders kunnen zijn als sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Tot dat oordeel komt de voorzieningenrechter niet. Bovendien, zelfs al zou de bodemrechter tot de conclusie komen dat verzoekers wel belanghebbenden zijn, dan is het nog maar de vraag of hun bezwaargronden vervolgens tot een exploitatievergunning voor de besloten vennootschap zouden kunnen leiden. Dit betekent dat de voorzieningenrechter ook om die reden zeer terughoudend is in het treffen van een voorziening zoals verzoekers die nu vragen.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.C.T. Rabou-Coort, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.