Eiseres was docent NT2 en meldde zich ziek in maart 2019. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, die later werd beëindigd per 7 oktober 2020 omdat zij volgens het UWV geschikt is voor haar eigen werk. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was, en dat zij niet in staat is haar werk uit te voeren. De ex-werkgever steunde het UWV.
De rechtbank onderzocht de medische en arbeidskundige rapporten, waarin werd geconcludeerd dat het werk voorspelbaar is, deadlines niet wekelijks intensief zijn, het handelingstempo niet hoog, en dat eiseres voldoende mogelijkheden heeft om samen te werken en conflicten te hanteren. De rechtbank vond dat het UWV de motiveringsgebreken uit eerdere uitspraken had hersteld en dat de bezwaren onvoldoende waren onderbouwd.
Hoewel de rechtbank enkele procedurele onzorgvuldigheden constateerde, passeerde zij deze omdat aannemelijk was dat eiseres hierdoor niet benadeeld werd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten, en bevestigde dat de uitkering terecht is beëindigd.