Betrokkene is veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift, gewoontewitwassen en misbruik van subsidies door een rechtspersoon. De rechtbank stelde vast dat betrokkene een vergoeding van €37.196,- ontving van een medeverdachte die grote bedragen van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) ontving op basis van valse facturen.
De ontnemingsrapportage concludeerde dat 46,7% van de inkomsten van de medeverdachte uit strafbare feiten afkomstig was. De rechtbank paste dit percentage toe op het salaris van betrokkene en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €17.370,53.
De verdediging voerde aan dat het salaris niet in directe relatie stond tot de strafbare feiten, maar de rechtbank verwierp dit en sloot aan bij het eerdere vonnis van 7 maart 2023. De redelijke termijn voor de procedure was ruimschoots overschreden, maar dit was reeds in de strafzaak gecompenseerd, zodat geen verdere gevolgen werden verbonden aan de termijnoverschrijding.
De rechtbank legde de betalingsverplichting op aan betrokkene en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 121 dagen. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 4 maart 2024.