Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
De standpunten.
De bewijsmiddelen.
De bewijsbeslissing.
Inleiding.
Opbouw vonnis.
Rechtmatigheidsverweren ten aanzien van cryptotelefoon-communicatie.
26DelRio op te nemen.
7 augustus 2023 de uitvoering van de opdracht van de rechtbank heeft kunnen afronden en constateert dat het verhoor van de LAP-officier vol moeilijkheden en ook met narigheden is verlopen. De rechtbank onderschrijft echter op geen enkele manier de suggestie dat dit te wijten zou zijn aan de werkwijze van de rechter-commissaris. De stelling van de verdediging dat verdedigingsrechten zijn geschonden en dat de EncroChat-gegevens daarom niet gebruikt zouden mogen worden, wordt dan ook door de rechtbank verworpen. Verder werpt zij de suggestie van de verdediging van verdachte [medeverdachte 5] , dat de rechtbank na haar eerdere beslissing tot het horen van de LAP-officier van ‘hoger hand’ zou zijn teruggefloten, verre van zich. Deze suggestie is feitelijk onjuist en hoort zonder enige onderbouwing niet thuis in de rechtszaal.
Identificatie EncroChat- en SkyECC-accounts.
de rechtbank: dit zou dan geweest zijn op 12 maart 2020). Dit deed hij om te bedenken wat hij met de telefoon aan moest. Hij heeft hem nooit gebruikt.
Zaaksdossier Vluchtoord.
Uit de onderschepte EncroChat-gesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] op de dag van de inval in het bedrijfspand het regelmatig had over “zijn trailer”. Zo werd door de onbekend gebleven gebruiker “ [naam 11] ” in een gesprek op 27 maart 2020 vanaf 11.42 uur gezegd dat de inval zwaar kut was, omdat de trailer van [medeverdachte 1] daar stond en dat hij moest zorgen dat hij de trailer terughaalde. Op 27 maart 2020 om 12.45 uur vertelde [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 3] dat hij bij Uden langs moest gaan. Enige tijd later meldde [medeverdachte 3] dat er politie stond en dat hij niet begreep waar “hun wagen” naar toe ging. Op 27 maart 2020 om 14.22 uur had [medeverdachte 1] een chatgesprek met [naam 12] (NN) waarin [medeverdachte 1] het had over “onze vrachtwagen”.
24 maart 2020 werd om 11.41 uur ingelogd. Op 26 maart 2020 is om 18.05 uur ingelogd. Toen was de locatie [adres 5] . Dat is de locatie waar de vrachtwagen en oplegger, met daarin de chemicaliën, de volgende dag zijn aangetroffen. Op 27 maart 2020, de dag van de inval, werd zes keer ingelogd.
Hier tegenover staat dat uit het dossier blijkt dat hij een buitengewone interesse had in de vrachtwagencombinatie met de 16.000 liter chemicaliën. In de eerste plaats blijkt dit uit het feit dat hij de dagen voor en op de dag van de inval meerdere malen met zijn telefoon plaatsbepalingsapparatuur, die was vastgemaakt aan de vrachtwagencombinatie, heeft gecontroleerd. Hij heeft [medeverdachte 3] op de dag van de inval naar Uden gestuurd om te gaan kijken wat daar aan de hand was. Dat [medeverdachte 1] uitsluitend op basis van berichtgeving in de media ermee bekend zou zijn geraakt dat er grondstoffen voor de productie van synthetische drugs waren gevonden bij de inval in Uden, is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Voornoemde omstandigheden tezamen genomen maken dat de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 1] wetenschap had van de aanwezigheid van de chemicaliën in de oplegger, hij daar tevens de feitelijke macht over had en dat hij deze aldus voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] dat de in zijn bedrijfspand en oplegger gevonden chemicaliën aanwezig waren in de normale legale bedrijfsvoering van zijn op- en overslagbedrijf en dat hij dacht dat het desinfectant betrof, ongeloofwaardig en schuift deze terzijde. De rechtbank overweegt in dit verband dat de ter onderbouwing van de verklaring van [verdachte] overgelegde stukken op geen enkele manier overtuigen. Zo is het de rechtbank opgevallen dat in de stukken een mail zit van iemand van [bedrijf 3] van 10 januari 2020, waarin opdracht wordt gegeven voor het ophalen van 10 pallets bij [bedrijf 4] in Cuijk met als afleveradres [bedrijf 5] in België. Op basis van de openbare bron Google lijkt [bedrijf 3] een Duits handelshuis te zijn, dat zich bezighoudt met de handel in onder andere meubels. Het is totaal niet helder wat dit met desinfectant te maken heeft. Wat ook vreemd is, is dat in de stukken een rekening en een herinnering van [bedrijf 4] gericht aan [bedrijf 2] zitten, terwijl het veel logischer was als dat andersom zou zijn geweest. [verdachte] stelt immers een dienst voor [bedrijf 4] te hebben verricht; de opslag van de jerrycans. Verder is het de rechtbank opgevallen dat op alle facturen die gericht zijn aan de firma [bedrijf 5] in België bij de bedrijfsgegevens van [bedrijf 2] het adres [adres 6] in plaats van [adres 2] is vermeld. En op de overgelegde CRM die zag op het vervoer van de jerrycans naar België op 27 maart 2020 is zelfs een oud adres van [bedrijf 2] in Apeldoorn vermeld.
Inleiding.
27 maart 2020 om 13.40 uur bij het bedrijfspand aan de [adres 2] verscheen nadat hij daartoe was uitgenodigd door verbalisant [verbalisant] . De verbalisant vertelde hem toen dat de vrachtwagen in beslag was genomen. Hij bedoelde daarmee de vrachtwagen met oplegger die ter hoogte van het pand aan de [adres 5] waren aangetroffen.
de rechtbank begrijpt: de vrachtwagencombinatie) weer thuis in Tilburg was.
800 gram (5,5 kg), wapens en pistolen en dat “ [naam 16] ” gezegd had dat dit geen probleem was. Op 21 maart 2020 had [verdachte] een gesprek met dezelfde onbekend gebleven personen, waarin gesproken werd over een levering van 5,5 blokken, 24 ijzer en
60.000 pillen morgen (22 maart 2020) om 12.30 uur bij de loods, waarop [verdachte] antwoordde dat hij om 12.15 uur bij de loods zou zijn. Op 22 maart 2020 omstreeks 10.46 uur stuurde een onbekend gebleven persoon een foto aan [verdachte] met 12 zakken met de tekst dat de verpakkingen verkleind waren en dat het totaal 60.000 pillen waren, waarop [verdachte] een emoticon stuurde met een duimpje omhoog. Op 22 maart 2020 omstreeks 12.10 uur spraken de twee onbekend gebleven personen erover dat het 22 ijzers waren geworden, omdat er twee kapot waren. Op 22 maart 2020 omstreeks 13.18 uur stuurde
[verdachte] een foto aan dezelfde onbekend gebleven personen. Op deze foto is iets zwarts te zien met daarop een vel papier en daarop de handgeschreven tekst: “ [bedrijf 9] ” V. [verdachte] schreef dat “het” klaar was voor transport. Op de vraag van een van de onbekend gebleven personen of het 10 pallets waren, antwoordde [verdachte] bevestigend en voegde er aan toe “pallet nr. 5, halverwege de pallet, verpakt in 3 zakken”. Op 23 maart 2020 schreef [verdachte] dat de lading was geladen en op 25 maart 2020 dat “het” volgens hem gepakt was in Hoek van Holland. Op 27 maart 2020 en 9 april 2020 heeft [verdachte] een gesprek met een onbekend gebleven persoon gehad. De gesprekken gingen (onder meer) over de onderschepte lading potgrond, dat [verdachte] geïnvesteerd had in deze zending, dat de potgrond bij [bedrijf 1] was aangekocht op naam van [naam 10] en dat [verdachte] tijdens het politieverhoor de naam van [naam 10] niet genoemd had.
17 maart 2020 door [medeverdachte 9] opgehaalde potgrond op enig moment in zijn bedrijfsloods heeft opgeslagen, de aan hem op 22 maart 2020 geleverde vuurwapens, munitie en verdovende middelen heeft verstopt in één van de pallets, daarna alle pallets heeft omwikkeld met zwarte plastic folie en deze lading op 23 maart 2020 voor verdere transport naar Engeland heeft aangeboden aan transportbedrijf [bedrijf 8] en dat hij geïnvesteerd heeft in deze zending.
Juridisch kader.
[verdachte] aan de [adres 2] in Uden. Daarbij werd hij meer dan eens vergezeld door [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] . Een geloofwaardige verklaring voor die bezoeken is door geen van de verdachten gegeven. De suggestie dat die bezoeken te maken hadden met een door [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] gedreven tegelhandel wordt niet door de feiten ondersteund. Weliswaar zijn er pallets met tegels aangetroffen in Uden, maar enige exploitatie van een dergelijke onderneming is niet aannemelijk geworden. De tegels leken eerder gebruikt te worden voor het vervoeren van drugs of drugsgerelateerde hardware. Wat wel blijkt uit het dossier is dat bij de doorzoeking op 27 maart 2020 in het bedrijfspand 5.000 amfetaminepillen zijn aangetroffen en dat er in de onmiddellijke nabijheid van het bedrijf een op naam van een bedrijf van [verdachte] staande oplegger stond geparkeerd met daarin grondstoffen voor het vervaardigen van synthetische drugs. Die oplegger was in gebruik bij [medeverdachte 1] , die de oplegger blijkbaar nodig had voor een transport. Na de inbeslagname van de oplegger hebben [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] in nauwe samenwerking de oplegger opgehaald in Amsterdam en deze aldus aan het daarop gelegde beslag onttrokken.
[verdachte] dan hij heeft verklaard. Wat betreft [medeverdachte 7] kan dat ook nog worden afgeleid uit het bericht dat vanaf een e-mailadres dat bij [verdachte] in gebruik was, is verzonden naar het mailadres [e-mailadres] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 7] ). Daarin wordt geschreven over het met een kloonbak naar de scanner rijden en het laten ophalen van een volle bak en het wisselen van de bakken. Een mail die bij gebreke van een verklaring door verdachten daarover slechts te begrijpen is in een criminele context.
De bewezenverklaring.
hebbende verdachte en/of zijn mededader
5.
in de periode van 17 maart 2020 tot en met 23 maart 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid Pro 5) heeft gebracht, ongeveer 25 kilogram MDMA tabletten en ongeveer 5 kilogram heroïne, zijnde MDMA en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
De strafbaarheid van de feiten.
De strafbaarheid van verdachte.
De oplegging van een straf en maatregel.
22 vuurwapens en grote hoeveelheden munitie die dezelfde bestemming hadden. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 5.000 amfetaminepillen.
Het beslag.
De voorlopige hechtenis.
De toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
feit 1, feit 2, feit 3, feit 5, feit 6 en feit 7 bewezenzoals hiervoor is omschreven;
en
legt op de volgende straf:
gevangenisstrafvoor de duur van
6 jaren;
legt op de volgende maatregel:
onttrekking aan het verkeervan
- 2 bakens KFT (beslagnr. VL008.01.03.002 bpnr 592823) en
- 1 jammer inclusief adapter (beslagnr. VL00901.03.003);
met ingang van heden, waarvan de beslissing afzonderlijk is opgemaakt.