Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
te duchten was.
gevangenisstrafvoor de duur van
30 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht waarvan
10 maanden voorwaardelijken een proeftijd van 2 jaren.
Rechtbank Oost-Brabant
Op 13 november 2024 heeft verdachte in zijn woning op de zevende verdieping van een appartementencomplex in Eindhoven opzettelijk brand gesticht door wasbenzine te verspreiden en aan te steken. De brand ontstond vroeg in de ochtend (06.35 uur), een tijdstip waarop veel bewoners nog thuis en slapend waren. Hierdoor ontstond een gemeen gevaar voor de woning, omliggende woningen en de aanwezige goederen, alsmede levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners.
De bewoners van de zesde en zevende verdieping werden geëvacueerd door de hulpdiensten. Verdachte heeft bekend de brand te hebben gesticht, maar heeft geen rekening gehouden met de mogelijke gevolgen voor zijn medebewoners. De verdediging erkende brandstichting met gemeen gevaar voor goederen, maar betwistte het levensgevaar vanwege onvoldoende concretisering van de bewijzen. De rechtbank verwierp dit verweer en achtte levensgevaar voorzienbaar op grond van algemene ervaringsregels en de positie van de woning.
De rechtbank verklaarde verdachte strafbaar voor opzettelijk brandstichten met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, dagbesteding en schuldhulpverlening. De opgelegde straf is lager dan de eis van de officier van justitie, maar hoger dan de eis van de verdediging, en houdt rekening met de ernst van het feit, de maatschappelijke impact en het berouw van verdachte.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.