De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van ontuchtige handelingen met zijn toen minderjarige stiefdochter in de periode 2014-2016. Het betrof onder meer betasten en het zich aftrekken in het bijzijn van het slachtoffer. Het bewijs bestond voornamelijk uit de verklaringen van het slachtoffer, haar moeder, zusje en nichtje, alsmede gedragsveranderingen en berichten naar minderjarigen.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar was, deze onvoldoende werd ondersteund door ander bewijs. Er was onduidelijkheid over de timing en omstandigheden van de eerste melding (disclosure), en de getuigenverklaringen waren mogelijk beïnvloed door onderlinge communicatie. Daarnaast bood het gedrag van verdachte en de verklaringen van andere betrokkenen geen concreet steunbewijs voor de specifieke tenlastegelegde feiten.
De rechtbank concludeerde dat het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv niet was gehaald en sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding en veroordeeld in de proceskosten.