Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2025:1393

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2025
Publicatiedatum
11 maart 2025
Zaaknummer
82-110015-21
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens gebrek aan bewijs mensenhandel minderjarige champignonplukster

De rechtbank Oost-Brabant behandelde een zaak waarin verdachte werd verdacht van mensenhandel en valsheid in geschrift met betrekking tot het werven, vervoeren, huisvesten en tewerkstellen van een minderjarige als champignonplukster.

De officier van justitie stelde dat verdachte en medeverdachte gezamenlijk wisten van de arbeidsuitbuiting, maar de verdediging betoogde dat er onvoldoende bewijs was voor wetenschap of opzet bij verdachte.

De rechtbank concludeerde dat het niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte wetenschap had van de minderjarige die als champignonplukster werkte. Cruciale getuigen werden niet gehoord en de administratieve gegevens waren verwarrend. Daarom sprak de rechtbank verdachte integraal vrij.

De uitspraak benadrukt het belang van overtuigend bewijs voor wetenschap en opzet in mensenhandelzaken en toont aan dat onzekerheden in de administratie en het ontbreken van getuigen kunnen leiden tot vrijspraak.

Uitkomst: Verdachte wordt integraal vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat hij wetenschap had van de tewerkstelling van de minderjarige champignonplukster.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 82-110015-21
Datum uitspraak: 11 maart 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

gevestigd op [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 februari 2025 en 25 februari 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 januari 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging om redenen vermeld in de pleitnota, maar de rechtbank zal dit verzoek onbesproken laten gelet op de hierna te volgen beslissing tot integrale vrijspraak. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de officier van justitie wat haar betreft in zijn vervolging kan worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding

Verdachte was en is met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) tevens bestuurder van verdachte verantwoordelijk voor het werven en uitlenen van buitenlandse champignonplukkers die vervolgens werk wordt verschaft bij champignonkwekerijen in Nederland. In de ten laste gelegde periode vond dit onder andere plaats bij champignonkwekerij [bedrijf 1] te Ospel (hierna: de champignonkwekerij). De administratieve vastlegging, het arbeidscontractbeheer, de salarisadministratie en de verloning werden gedaan door een derde partij, [bedrijf 2] Verdachte wordt onder feit 1 – kort samengevat – verweten dat zij in vereniging met [medeverdachte] ten tijde van het ten laste gelegde de minderjarige plukster [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft geworven, vervoerd, gehuisvest en tewerkgesteld. [medeverdachte] zou dit in gezamenlijkheid met en met medeweten van [persoon 1] (de tante van [slachtoffer] ) hebben gedaan. Mevrouw [persoon 1] is uiteindelijk niet voor dit feit vervolgd.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van feit 1 primair. Naar het oordeel van de officier van justitie wist de bestuurder van verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , dat de minderjarige [slachtoffer] in Nederland aanwezig was en dat zij als champignonplukster heeft gewerkt. [medeverdachte] was immers verantwoordelijk voor de werving en inzet van plukkers. Verdachte dient als medepleger te worden aangemerkt nu hij en [medeverdachte] in gezamenlijkheid hebben bijgedragen aan het werven, vervoeren, huisvesten en tewerkstellen van [slachtoffer] . Door [slachtoffer] wel op de werklijst te zetten, maar de door haar gewerkte uren niet te verantwoorden in de boekhouding, hebben verdachte en [medeverdachte] nauw en bewust samengewerkt.
De officier van justitie hecht geen geloof aan de verklaring van [medeverdachte] dat hij geen weet had van de werkzaamheden die [slachtoffer] (als uitzendkracht van zijn bureau) verrichtte. In de visie van de officier van justitie kan onder feit 1 primair worden bewezen dat verdachte en [medeverdachte] de minderjarige [slachtoffer] met het oogmerk van (arbeids)uitbuiting hebben geworven, vervoerd en gehuisvest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs voor beide ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft daartoe in zijn pleidooi uitgebreid gewezen op meerdere feiten en omstandigheden, waaronder ook een gebrek aan bewijs voor wetenschap en/of opzet aan de zijde van de bestuurder van verdachte.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte integraal van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Beoordeling
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat de minderjarige [slachtoffer] in de onder feit 1 ten laste gelegde periode werkzaam is geweest als champignonplukster op de champignonkwekerij te Ospel en dat zij ook gedurende enige tijd heeft verbleven op de camping [naam camping] . Om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde arbeidsuiting te komen dient in ieder geval wettig en overtuigend te worden bewezen verdachte, al dan niet via medeverdachte [medeverdachte] , wist dat de minderjarige [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode (via verdachte) heeft gewerkt als champignonplukster bij de champignonkwekerij. Zonder die wetenschap kan geen van de onder feit 1 verweten gedragingen, die dienen te zijn gepleegd met een oogmerk van uitbuiting, worden bewezen. [medeverdachte] heeft ter terechtzitting een uitgebreide verklaring afgelegd waarin hij stelt voornoemde wetenschap niet te hebben gehad. [medeverdachte] heeft voor zover relevant onder meer het volgende verklaard.
[medeverdachte] was en is als (mede)bestuurder van verdachte inderdaad verantwoordelijk voor de werving, huisvesting en tewerkstelling van buitenlandse arbeiders in de agrarische sector, meer specifiek werft hij plukkers voor champignonkwekerijen. Deze arbeiders komen overal vandaan, maar voornamelijk uit Polen en Hongarije. In de ten laste gelegde periode had [medeverdachte] een kennis in Bulgarije die hij belde als hij Bulgaarse mensen nodig had. [medeverdachte] zei dan dat het uitzendbureau binnenkort een aantal arbeiders nodig had, waarna deze kennis op zoek ging naar arbeiders. Deze arbeiders kwamen vervolgens met eigen vervoer naar Nederland. [medeverdachte] regelde de (betaalde) huisvesting en het vervoer van de verblijfplaats in Nederland naar de werkplek. Als een bedrijf de volgende dag bijvoorbeeld tien arbeiders nodig had maakte [medeverdachte] en zijn vrouw, medebestuurder van verdachte, de avond ervoor een lijst waarop stond wie er zou gaan werken. De personen die de volgende dag zouden gaan werken werden met de voornaam/bijnaam aangeduid. Die lijst werd doorgestuurd naar de champignonkwekerijen zodat zij wisten wie er de volgende dag bij hen kwam werken. De bedrijven controleerden zelf wie er op een werkdag hadden gewerkt. [medeverdachte] kreeg in de ten laste gelegde periode vervolgens iedere maandag een lijst van de bedrijven waarop stond welke uitzendkrachten wanneer hadden gewerkt en wat de werk- en pauzetijden waren per persoon. [medeverdachte] wist welke van zijn mensen op welke dagen waar werkten, maar meer dan dat wist hij niet. De inhoud van de genoemde lijsten voerde [medeverdachte] in de systemen in ten behoeve van de verloning. De werknemers zagen elke dag zelf op de werklocatie de urenlijsten en dienden daar ook middels een handtekening akkoord mee te gaan. Als er iets niet klopte werd dat zo nodig gecorrigeerd door de bedrijven. Naast plukkers die door verdachte werden tewerkgesteld werkten bij de champignonkwekerij ook plukkers van andere uitzendbureaus.
[medeverdachte] heeft de tante van [slachtoffer] , [persoon 1] geworven en ook gehuisvest op de camping [naam camping] . [medeverdachte] wist dus ook dat mevrouw [persoon 1] voor hem werkte als champignonplukker. [slachtoffer] was in de ten laste gelegde periode op bezoek op de camping, en is op eigen initiatief naar Nederland gekomen. [medeverdachte] heeft haar niet geworven en wist ook niet dat zij als plukster heeft gewerkt op een champignonkwekerij. [medeverdachte] heeft [slachtoffer] ongeveer 10 dagen na haar komst gezien op de camping. [medeverdachte] heeft met mevrouw [persoon 1] gesproken en haar gevraagd wat [slachtoffer] hier deed. [persoon 1] zei dat [slachtoffer] op bezoek was en met kerst weer naar huis ging.
[medeverdachte] heeft voorts verklaard dat hij er inmiddels ook van overtuigd is dat [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode op de champignonkwekerij te Ospel heeft gewerkt. Dit heeft hij kort geleden gehoord. [medeverdachte] vermoedt dat [slachtoffer] onder een andere naam heeft gewerkt, namelijk onder de (bij)naam van [persoon 2] , die wel bij [medeverdachte] bekend was en van wie hij wel wist dat zij werkte op de champignonkwekerij. Volgens [medeverdachte] zijn ze allemaal familie van elkaar. De bijnaam van [persoon 2] was ‘ [bijnaam persoons 2] ’, dezelfde voornaam als die van [slachtoffer] . Iedereen noemde [persoon 2] zo en zij werd door [medeverdachte] en zijn vrouw daarom ook met die naam beschreven in de administratie. De verloning van de door ‘ [bijnaam persoons 2] ’ gewerkte uren werd daarom ook op de naam van [persoon 2] gedaan. De partner van [medeverdachte] schreef om die reden ook op de planlijsten dat [bijnaam persoons 2] kwam werken de volgende dag. Voor zover [medeverdachte] en zijn partner wisten, werkte er maar één [bijnaam persoons 2] namens zijn uitzendbureau, [persoon 2] .
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde verklaring van [medeverdachte] niet als
hoogst onwaarschijnlijkterzijde kan worden geschoven. Het door hem geschetste scenario wordt niet weerlegd door de stukken in het dossier, en vindt op een aantal punten juist steun in het dossier. Zo heeft de raadsman er terecht op gewezen dat het aantal uren dat [bijnaam persoons 2] blijkens de door de champignonkwekerij verstrekte pluklijsten van de weken 41 tot en met 44 (90,96 uren), exact gelijk is aan alle aan ‘ [bijnaam persoons 2] ’ toegeschreven uren op de urenlijsten van de champignonkwekerij. Deze uren zijn ook eerder verloond en uitbetaald aan [persoon 2] . Dit sluit aan bij voornoemde verklaring van [medeverdachte] . Verder constateert de rechtbank dat op de urenlijsten van de champignonkwekerij buiten de (voor)namen van mensen die door [medeverdachte] werden tewerkgesteld, ook namen staan van plukkers die kennelijk via andere uitzendbureaus bij de champignonkwekerij zijn tewerkgesteld. Op grond van de pluklijsten en overige relevante gegevens kan bovendien met onvoldoende zekerheid worden bepaald welke personen op welke momenten hebben gewerkt. De zogenaamde badges en naamverwijzingen waarmee de werknemers en werktijden door het betrokken champignonbedrijf werden geregistreerd bieden onvoldoende duidelijkheid over wie onder welke badge werkte, mede rekening houdend met het gegeven dat een badge niet persoonsgebonden was maar door verschillende plukkers, wellicht niet gelijktijdig, maar wel elkaar opvolgend werd gebruikt. Zo staan op de pluklijsten meerdere ‘ [bijnaam persoons 2] ’ met verschillende badgenummers, en hebben meerdere personen met verschillende namen (waaronder [bijnaam persoons 2] ) de verwijzing ‘ [alias 1] ’ gekregen. Verder staan op een pluklijst van week 43 twee [bijnaam persoons 2] vermeld, beide onder een verschillend badgenummer ( [alias 1] en [alias 2] ), zou [alias 1] wel hebben gewerkt (bijna 25 uur), en [alias 2] niet (0 uren). Deze gegevens zorgen voor verwarring en de verklaringen over de verwarrende administratie door de eigenaar van de champignonkwekerij, [persoon 3] , is ook niet eenduidig. Andere getuigen die mogelijk hadden kunnen verklaren over voor het bewijs belangrijke feitelijkheden zoals de partner van verdachte, [slachtoffer] zelf en haar tante, zijn niet gehoord. Ook cruciale getuige [persoon 2] is niet gehoord doordat zij tot op heden niet is gelokaliseerd door het Openbaar Ministerie. Gelet op de beslissing tot vrijspraak zal de rechtbank het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het lokaliseren en alsnog horen van [persoon 2] onbesproken laten.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het verrichte opsporingsonderzoek en de daaruit voortgekomen stukken onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte wetenschap had van de plukwerkzaamheden door minderjarige [slachtoffer] . Gelet op die conclusie kan enig [medeverdachte] verweten feitelijk handelen met een oogmerk tot uitbuiting niet worden bewezen. Nu [medeverdachte] als bestuurder van verdachte geen ten laste gelegd verwijt kan worden gemaakt en ook anderszins niet voldaan wordt aan de criteria voor redelijke toerekening, kan ook verdachte, gelet op de inhoud van de tenlastelegging en de feitelijke bedrijfsvoering, geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder feit 1 primair en feit 1 subsidiair ten laste gelegde.

DE UITSPRAAK

De rechtbank: spreekt verdachte integraal vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,
mr. drs. A.E. de Kryger en mr. A.H.J.J. van de Wetering, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.H.A. de Poot, griffier,
en is uitgesproken op 11 maart 2025.