Op 10 december 2024 werd verdachte staande gehouden in Geldrop met ongeveer 4,065 kilogram cocaïne in zijn auto, bestemd voor Duitsland. De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat hij harddrugs vervoerde, mede gelet op zijn route, het gewiste adres in Rotterdam en zijn gedragingen tijdens de aanhouding.
De verdediging pleitte vrijspraak voor het primair ten laste gelegde en een lagere straf, maar de rechtbank vond het scenario van verdachte ongeloofwaardig en concludeerde dat hij opzettelijk de drugs vervoerde met bestemming Duitsland. Er was geen sprake van uitsluitingsgronden voor strafbaarheid.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 36 maanden op, aansluitend bij de ernst van het feit en de maatschappelijke schade van drugshandel. De voorgestelde lagere straf door de verdediging werd verworpen. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 19 maart 2025.