Verdachte werd vervolgd voor deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met amfetamineproductie en -voorraad. Eerder was verdachte onherroepelijk veroordeeld voor medeplegen aanwezig hebben van 23,6 liter amfetamine in een drugslaboratorium te Heerlen.
De rechtbank onderzocht of de nieuwe vervolging in strijd was met het ne bis in idem-beginsel, dat vervolging voor hetzelfde feit verbiedt. De eerdere veroordeling betrof eenzelfde feitencomplex, inclusief productie en voorbereidingshandelingen, die door het Openbaar Ministerie aanvankelijk ook ten laste waren gelegd maar later werden weggelaten.
De rechtbank concludeerde dat de vervolging voor deelname aan de criminele organisatie uitsluitend betrekking had op het feitelijke delict waarvoor verdachte al was veroordeeld. Dit is in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 2021. Daarom is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in deze vervolging.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 13 maart 2025. De voorzitter en twee leden waren bij de uitspraak aanwezig, waarbij één lid niet kon medeondertekenen.