ECLI:NL:RBOBR:2025:171
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken bewijs onbevoegdheid opslag benzeenhoudend afvalwater
De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het ontdoen van benzeenhoudend afvalwater door het over te dragen aan een medeverdachte die volgens het Openbaar Ministerie onbevoegd zou zijn geweest dit afvalwater op te slaan.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting bleek dat verdachte het afvalwater, afkomstig van een chemical plant stop, had ontvangen en deels had opgeslagen bij medeverdachte, die een tankterminal exploiteert. Medeverdachte beschikte over een omgevingsvergunning voor opslag van biologisch afbreekbaar afvalwater en een VIHB-registratie voor inzameling van bedrijfsafval.
De rechtbank oordeelde dat niet is gebleken dat medeverdachte onbevoegd was om het afvalwater in te zamelen en tijdelijk op te slaan. De tenlastelegging was toegespitst op artikel 10.37 Wet milieubeheer, dat het ontdoen van afvalstoffen aan onbevoegden verbiedt. De rechtbank vond dat de vergunning en registratie van medeverdachte voldoende grond boden voor bevoegdheid, en dat de aanvullende argumenten van het OM onvoldoende specifiek waren.
Daarom ontbrak het aan wettig en overtuigend bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, en werd verdachte vrijgesproken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs dat medeverdachte onbevoegd was om het benzeenhoudend afvalwater op te slaan.