ECLI:NL:RBOBR:2025:1713
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.E. Bartels
- W.M.T. Keukens
- C.C. van Ravenhorst
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van 350.000 euro bij witwasveroordeling
De rechtbank Oost-Brabant heeft op 27 maart 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die eerder is veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens witwassen. De ontnemingsvordering van het openbaar ministerie betrof een bedrag van 350.000 euro, dat als wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat.
Tijdens de terechtzitting van 13 maart 2025 zijn procesafspraken gemaakt tussen de veroordeelde en het openbaar ministerie, waarbij de veroordeelde afstand deed van verweren tegen de ontnemingsvordering en instemde met de vaststelling van het bedrag. De rechtbank heeft deze overeenkomst getoetst aan het kader van de Hoge Raad en het recht op een eerlijk proces, en heeft vastgesteld dat de veroordeelde vrijwillig en bewust heeft ingestemd met de afspraken.
De rechtbank heeft het bedrag van 350.000 euro als wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld en de verplichting opgelegd aan de veroordeelde om dit bedrag aan de Staat te betalen. Tevens is de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 1080 dagen, conform artikel 36e Sr en artikel 6:6:25 Sv Pro. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De bewijsmiddelen zullen bij een eventueel rechtsmiddel worden toegevoegd aan het vonnis. De uitspraak volgt op de eerdere veroordeling van de veroordeelde voor witwassen, waarbij het ontnemingsbedrag verband houdt met het bewezenverklaarde feit.
Uitkomst: De rechtbank legt een ontnemingsverplichting van 350.000 euro op aan de veroordeelde wegens wederrechtelijk verkregen voordeel.