Betrokkene heeft bij de rechtbank Oost-Brabant een verzoek ingediend tot opheffing van het bewind over zijn goederen. Dit verzoek werd mondeling behandeld op 22 augustus 2024, waarbij zowel betrokkene als de bewindvoerder aanwezig waren. De kantonrechter besloot toen het verzoek aan te houden om een overgangsperiode in te stellen waarin betrokkene samen met de bewindvoerder kon aantonen dat het beheer van zijn financiën verbeterde.
Tijdens deze overgangsperiode, die liep tot begin 2025, bleek dat betrokkene aanvankelijk moeite had met het tijdig betalen van rekeningen. Vanaf november 2024 verbeterde dit echter aanzienlijk, waardoor de bewindvoerder concludeerde dat voortzetting van het bewind niet langer noodzakelijk was.
Op basis van de schriftelijke reactie van de bewindvoerder en het verhandelde ter zitting heeft de kantonrechter geoordeeld dat het bewind kan worden opgeheven. Tevens is de beloning van de bewindvoerder voor het opmaken van de eindrekening en -verantwoording vastgesteld conform de geldende regeling. De beschikking is op 25 maart 2025 uitgesproken en het bewind wordt opgeheven met ingang van veertien dagen na verzending van deze beschikking.