Betrokkene heeft verzocht om opheffing van het beschermingsbewind, stellende dat hij zelfstandig zijn geldzaken wil regelen als ZZP’er. Hij gaf aan zijn bewindvoerder te willen aanklagen wegens vermeende slechte behandeling. De bewindvoerder gaf aan dat betrokkene bekend is met middelengebruik, vermoedelijke verstandelijke beperkingen heeft en een onrealistische kijk op geldzaken vertoont. Eerdere pogingen tot zelfstandig ondernemerschap zijn mislukt en betrokkene blijft schulden maken.
Tijdens de mondelinge behandeling was betrokkene niet aanwezig, ondanks meerdere oproepen. De persoonlijk begeleidster gaf aan dat een tweede oproep geen zin had. Recent is betrokkene opgenomen op de HIC met een crisismaatregel, en de begeleiding overweegt curatele of mentorschap.
De kantonrechter oordeelt dat de bewindvoerder haar taken adequaat heeft uitgevoerd en dat de noodzaak tot voortzetting van het bewind nog steeds bestaat. Betrokkene heeft geen concrete feiten aangevoerd die het opheffen van het bewind rechtvaardigen en heeft geen toelichting gegeven tijdens de zitting. Daarom wordt het verzoek tot opheffing afgewezen.