ECLI:NL:RBOBR:2025:2179
Rechtbank Oost-Brabant
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid in stalkingzaak
In deze zaak diende verdachte een wrakingsverzoek in tegen de oudste rechter van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid tijdens de zitting van 27 februari 2025, waarin de rechter volgens de verdediging een oordeel zou hebben geveld door te concluderen dat waar verdachte is, het slachtoffer ook is.
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 20 maart 2025 werd dit nader toegelicht, waarbij ook werd aangevoerd dat het proces-verbaal niet conform het wrakingsprotocol zou zijn opgemaakt. De oudste rechter ontkende partijdigheid en stelde dat zijn vragen en opmerkingen waren gebaseerd op het dossier, met name de aangifte van het slachtoffer en haar logboek.
De wrakingskamer oordeelde dat geen van beide lezingen van de zinsnede een schijn van vooringenomenheid oplevert. De opmerkingen van de rechter werden gezien als een samenvattende afronding van het gesprek over het dossier. Tevens werd geoordeeld dat het proces-verbaal niet relevant was voor de beoordeling van het wrakingsverzoek.
Gelet op het ontbreken van bijzondere omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid rechtvaardigen, wees de wrakingskamer het verzoek af. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de oudste rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van aanwijzingen voor vooringenomenheid.