ECLI:NL:RBOBR:2025:2204

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 april 2025
Publicatiedatum
10 april 2025
Zaaknummer
01/025917-22 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnehandel vastgesteld op €5.000

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 11 april 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf kreeg opgelegd voor bezit en handel in cocaïne. De officier van justitie vorderde ontneming van €44.430, maar de rechtbank vond de berekening onvoldoende betrouwbaar vanwege gebrekkig politieonderzoek.

De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde gedurende een langere periode, van augustus 2020 tot januari 2022, cocaïne heeft verhandeld aan meerdere afnemers. Hoewel een telefoonlijst met 52 nummers werd aangetroffen, was slechts een beperkt aantal onderzocht, waardoor de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet exact kon worden vastgesteld.

Gezien de omvang van de aangetroffen partij cocaïne en de periode van handel, schatte de rechtbank het voordeel voorzichtig op €5.000. Daarbij werd ook de overschrijding van de redelijke termijn in aanmerking genomen als matigende factor. De veroordeelde is verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen, met een gijzelingsduur van maximaal 100 dagen bij niet-betaling.

Uitkomst: Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €5.000 met gijzeling van 100 dagen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer ontneming: 01.025917.22
Datum uitspraak: 11 april 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1984] ,
wonende te [adres] .

Onderzoek ter terechtzitting.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 44.430,-- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 maart 2025.

De beoordeling.

Inleiding.

Bij vonnis van eveneens 11 april 2025 van de meervoudige kamer van deze rechtbank (hierna: het vonnis) is aan Henraath (hierna veroordeelde) een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opgelegd in verband met het bezit en de handel in cocaïne.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie baseert haar vordering op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt en ondertekend door L. Steenbakkers op 25 januari 2022 (hierna: het rapport).

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak in de hoofdzaak. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de berekening die heeft geleid tot het gevorderde bedrag onjuist en onvolledig is geweest. Het toe te wijzen bedrag dient aanzienlijk te worden gematigd.
Bewijsbijlage.
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking en opsomming daarvan in de bijlage.

De beoordeling.

De rechtbank stelt vast dat de vordering tijdig is ingediend.
De meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 11 april 2025 in de hoofdzaak onder parketnummer 01.025917.22 als strafbare feiten bewezen verklaard:
  • opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod; en
  • opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van bewezen verklaarde feiten of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op basis van de bewijsmiddelen opgenomen in bijlage zijn er naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen dat door veroordeelde gedurende een langere periode is gehandeld in cocaïne en daarmee dat hij daaruit voordeel heeft verkregen.
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De politie heeft bij de doorzoeking in de woning waar veroordeelde verbleef een telefoonlijst aangetroffen met 52 telefoonnummers. Op basis van willekeurigheid zijn drie telefoonnummers onderzocht en zijn drie afnemers van veroordeelde gehoord. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is de politie uitgegaan van
52 afnemers.
De rechtbank is van oordeel dat de berekening uit het rapport onvoldoende geschikt is om de exacte grootheid van het voordeel van verdachte te bepalen. De politie heeft – met het beperkte aantal waarnemingen en controles van de telefoonnummers – nagelaten gedegen onderzoek te doen om te kunnen vaststellen hoe lang en aan welke afnemers veroordeelde de cocaïne heeft verkocht.
Gelet op de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat verdachte gedurende een langere periode, te weten 2 augustus 2020 (het moment van waarneming door verbalisant [verbalisant] ) tot en met 4 januari 2022 (moment van aanhouding van verdachte), cocaïne heeft verkocht aan een bij benadering te schatten aantal personen. Er is een grote hoeveelheid
sealtjesaangetroffen, te weten 90 stuks, welke aan veroordeelde toebehoorden. Dat geeft een indicatie dat de illegale handel een zekere omvang moet hebben gehad.
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de nodige voorzichtigheid betrachten bij het schatten van het door veroordeelde genoten voordeel. De rechtbank gaat er bij haar berekening vanuit dat verdachte de nodige klanten heeft gehad, die ieder vaker verdovende middelen van hem hebben gekocht.
Ten slotte merkt de rechtbank op dat zij bij het bepalen van de hoogte eveneens in matigende zin in aanmerking heeft genomen dat de redelijke termijn van berechting in aanzienlijke mate is overschreden.
Conclusie van de rechtbank.
Op grond van al het voorstaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 5.000,-- en legt aan veroordeelde de verplichting op dit bedrag te betalen aan de Staat.
De rechtbank zal de duur van de gijzeling, die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, bepalen op 100 dagen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 5.000,-- (vijfduizend euro).
Legt aan veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 5.000,--, ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld evenals andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat die door veroordeelde zijn begaan.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op: 100 (honderd) dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.A.F. Damen, voorzitter,
mr. W. Heijninck en mr. N.E.M. Keereweer, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,
en is uitgesproken op 11 april 2025.
mr. N.E.M. Keereweer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, District Helmond, Basisteam Dommelstroom, zaakregistratienummer PL2100-2022007679, afgesloten op 6 april 2022, aantal pagina’s: 1 tot en met 267. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.