ECLI:NL:RBOBR:2025:2212

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 april 2025
Publicatiedatum
10 april 2025
Zaaknummer
01/028737-23 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnehandel

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 11 april 2025 een ontnemingsvordering behandeld tegen een veroordeelde die werd veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf wegens bezit en handel in cocaïne. De officier van justitie vorderde ontneming van €168.603 aan wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op een rapport van januari 2023.

De verdediging betwistte de omvang van het voordeel en stelde dat de berekening onvoldoende onderbouwd was, met een verzoek tot matiging. De rechtbank constateerde dat het onderzoek van de politie onvoldoende was om de omzet exact te bepalen, mede door een beperkte steekproef van afnemers en het ontbreken van gedegen onderzoek.

Op basis van de beschikbare bewijsmiddelen, waaronder telefoongesprekken en verklaringen van afnemers, schatte de rechtbank het voordeel op €55.750 over een periode van 17 oktober 2021 tot 17 oktober 2022. Het in de hoofdzaak verbeurd verklaarde bedrag van €13.500 werd in mindering gebracht, waardoor de betalingsverplichting €42.250 bedraagt.

De rechtbank bepaalde tevens de duur van de gijzeling op 360 dagen en oordeelde dat de schending van de redelijke termijn voldoende was gecompenseerd door matiging van de straf in de hoofdzaak.

Uitkomst: Veroordeelde moet €42.250 betalen aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnehandel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer ontneming: 01.028737.23
Datum uitspraak: 11 april 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1988] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te: P.I. Grave.

Onderzoek van de zaak.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 168.603,-- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 maart 2025.

De beoordeling

Inleiding.
Bij vonnis van eveneens 11 april 2025 van de meervoudige kamer van deze rechtbank (hierna: het vonnis) is aan [verdachte] (hierna: veroordeelde) een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden opgelegd in verband met het bezit en de handel in verdovende middelen (cocaïne).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie baseert haar vordering op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt en ondertekend door R.P.A. Lemmering en S. Peters op 27 januari 2023 (hierna: het rapport).
In dit rapport wordt de conclusie getrokken dat het aannemelijk is dat veroordeelde in de periode 17 oktober 2021 tot en met 17 oktober 2022 heeft gehandeld in cocaïne en daaruit voordeel heeft verkregen.
De officier van justitie neemt de gehanteerde uitgangspunten en gemaakte berekeningen over.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van een kortere periode en de inkomsten van veroordeelde naar beneden dienen te worden bijgesteld. Daarnaast heeft de verdediging uitvoerig betoogd dat de berekening waarop het gevorderde bedrag is gebaseerd niet aannemelijk is onderbouwd. De verdediging verzoekt dan ook het toe te wijzen bedrag aanzienlijk te matigen.
Ten slotte merkt de verdediging op dat de waarde van de in de hoofdzaak verbeurd verklaarde goederen in mindering dient te worden gebracht op het toe te wijzen bedrag.
Bewijsbijlage.
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking en opsomming daarvan in de bijlage.

De beoordeling

De vordering is tijdig ingediend.
De meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 11 april 2025 in de hoofdzaak onder genoemd parketnummer als strafbare feiten bewezen verklaard:
  • opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod; en
  • opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde feiten of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan.
Op basis van de bewijsmiddelen opgenomen in bijlage zijn er naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen dat veroordeelde gedurende een aantal maanden heeft gehandeld in cocaïne en daarmee dat hij daaruit voordeel heeft verkregen.
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De politie heeft bij het analyseren van de telefoon van veroordeelde 105 gesprekken aangetroffen met mogelijke afnemers van verdovende middelen. Op basis van willekeurigheid zijn vijf telefoonnummers onderzocht en zijn vijf afnemers van veroordeelde gehoord. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is de politie dan ook uitgegaan van 105 afnemers.
Ter terechtzitting heeft de veroordeelde verklaard dat hij de ‘pakketjes’ voor een ander persoon verkocht en dat hij voor de verkoop van een ‘groot pakketje’, te weten 1 gram,
€ 10,-- zou hebben verdiend. Voor het leveren van een ‘klein pakketje’, te weten een halve gram, zou hij € 5,-- per pakketje hebben gekregen. Nergens blijkt uit dat veroordeelde zou hebben gehandeld in opdracht van een derde persoon en evenmin dat hij daarvoor de door hem genoemde beloning voor ontving. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank dan ook niet uit van de verklaring van veroordeelde.
De rechtbank gaat op basis van het rapport uit van de volgende berekening om de opbrengst per kilo te bepalen. In één
sealtjezit ongeveer 0,4 gram cocaïne. Dit zorgt voor een opbrengst van € 20,--. De opbrengst van 1 gram cocaïne komt dan logischerwijze op € 50,--. Per kilo cocaïne gaat de rechtbank dan ook uit van een opbrengst van € 50.000,--.
De geschatte kostprijs per kilo is € 28.850,--. Deze kostprijs dient in mindering te worden gebracht op de opbrengst. Dat maakt dat per kilo cocaïne kan worden uitgegaan van een totale winst van € 11.150,--.
De rechtbank is van oordeel dat de verdere berekening uit het rapport onvoldoende geschikt is om de exacte omvang van de omzet te bepalen. De politie heeft – met het beperkte aantal waarnemingen en controles van de telefoonnummers – immers nagelaten gedegen onderzoek te doen. Uitgaande van de totale “populatie” afnemers (105 personen) is de gekozen steekproefgrootte onvoldoende om op betrouwbare wijze te kunnen extrapoleren. Wel verklaren de afnemers die daadwerkelijk zijn gehoord dat zij al (ongeveer) één jaar of meer van veroordeelde cocaïne kochten.
Gelet op de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat veroordeelde gedurende een langere periode, te weten van 17 oktober 2021 tot en met 17 oktober 2022 (de dag voor de aanhouding van veroordeelde), cocaïne heeft verkocht aan een bij benadering te schatten aantal personen. Daar komt nog bij dat onder veroordeelde een relatief grote hoeveelheid materiaal bevattende cocaïne is aangetroffen. Dat geeft naar het oordeel van de rechtbank een indicatie dat de illegale handel van veroordeelde een zeker omvang moet hebben gehad. Desondanks is het voor de rechtbank niet mogelijk gebleken het exacte aantal afnemers te bepalen.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de nodige voorzichtigheid betrachten bij het schatten van het door veroordeelde genoten voordeel en op basis van het voorgaande zal de rechtbank de geschatte omzet in het voordeel van veroordeelde bijstellen. De rechtbank gaat er vanuit dat veroordeelde gemiddeld 1 gram per klant per week heeft verkocht over een periode van 12 maanden. In totaal heeft veroordeelde in deze periode dan afgerond 5 kilogram (100 klanten x 50 weken x 1 gram) cocaïne verkocht.
Deze berekening levert voor veroordeelde ten minste een voordeel op van 5 x € 11.150,--. Dat komt neer op een totaalbedrag van € 55.750,--.
De rechtbank constateert daarnaast dat de redelijke termijn is geschonden. De schending van de redelijke termijn is voldoende gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak opgelegde straf wegens schending van de redelijke termijn.
Ten slotte bepaalt de rechtbank dat het onder veroordeelde in de hoofdzaak in beslag genomen geldbedrag van in totaal € 13.500,-- aangemerkt kan worden als opbrengst van een strafbaar feit. Dit bedrag is door de rechtbank bij vonnis van 11 april 2025 verbeurd verklaard en zal in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de betalingsverplichting van veroordeelde rust.
Conclusie van de rechtbank.
Op grond van al het voorstaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 55.750,-- en legt aan veroordeelde de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 55.750,-- -/- € 13.500,-- = € 42.250,-- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank zal de duur van de gijzeling, die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, bepalen op 360 dagen.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 55.750,-- (vijfenvijftigduizend zevenhonderdvijftig euro).
Legt aan veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 42.250,--, ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld evenals andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat die door veroordeelde zijn begaan.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 360 (driehonderdzestig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.A.F. Damen, voorzitter,
mr. W. Heijninck en mr. N.E.M. Keereweer, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,
en is uitgesproken op 11 april 2025.
Mr. N.E.M. Keereweer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.