Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam] , verpleegkundig specialist;
- [naam] zorgmedewerker.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Oost-Brabant
Betrokkene verblijft sinds 11 februari 2025 in inbewaringstelling bij een zorginstelling op grond van een besluit van de burgemeester. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzoekt om verlenging van deze inbewaringstelling voor zes weken. De advocaat van betrokkene betwist de diagnose van een verstandelijke beperking, stellende dat deze niet door een juiste deskundige is vastgesteld en dat de psychiater zich onterecht baseerde op een oud onderzoek.
De rechtbank oordeelt dat de psychiater als deskundige mag worden aangemerkt en dat diens combinatie van eigen onderzoek en het oudere psychologisch onderzoek voldoende grond biedt voor de diagnose. Ook is vastgesteld dat betrokkene niet wilsbekwaam is en een aanzienlijke ondersteuningsbehoefte heeft, wat noodzakelijk is voor toepassing van de Wet zorg en dwang (Wzd).
Er is vastgesteld dat betrokkene onmiddellijk dreigend ernstig nadeel ondervindt, waaronder levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Ondanks ingekochte zorg is betrokkene opgenomen wegens onderkoeling en ernstige vervuiling, en thuiszorg is afgehaakt vanwege zijn gedrag. De rechtbank concludeert dat voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk en geschikt is om dit ernstig nadeel te voorkomen, en dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn. Betrokkene verzet zich tegen de voortzetting.
De rechtbank verleent daarom de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling tot en met 28 maart 2025.
Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor zes weken wegens onmiddellijk dreigend ernstig nadeel en een verstandelijke beperking.