ECLI:NL:RBOBR:2025:2265
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Heffing van leges na onvolledige aanvraag omgevingsvergunning en afwijzing beroep evenredigheidsbeginsel
Eiser diende op 26 oktober 2022 een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor overkappingen op een bedrijfsterrein. Het college bevestigde ontvangst maar gaf aan dat essentiële informatie ontbrak, waardoor de aanvraag niet volledig was. Na het verstrijken van de gestelde termijn stopte het college de behandeling op grond van artikel 4:5 Awb Pro. Desondanks bracht de heffingsambtenaar leges van €5.546 in rekening, later verminderd tot €5.375.
Eiser betoogde dat de aanvraag niet in behandeling was genomen en dat de leges daarom onterecht waren, en dat de hoogte van de leges niet in verhouding stond tot de geleverde diensten. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Hoge Raad die stelt dat ook bij niet-in behandeling nemen diensten kunnen zijn verricht die leges rechtvaardigen. Het college had de aanvraag getoetst aan relevante regelgeving, een stedenbouwkundig advies ingewonnen en hierover gecommuniceerd.
Verder wees de rechtbank het beroep af dat de nieuwe Legesverordening 2023 moest worden toegepast, omdat op grond van overgangsrecht de Legesverordening 2022 van toepassing bleef. Ook het beroep op teruggave van leges wegens onvolledige aanvraag faalde, omdat de regeling juist korting geeft bij volledige aanvragen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, zonder teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de legesheffing van €5.375 ondanks onvolledige aanvraag en faalt het beroep op het evenredigheidsbeginsel.