Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties;
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
Rechtbank Oost-Brabant
De rechtbank Oost-Brabant behandelde een geschil tussen een advocaat en zijn werkgever over de vraag of er sprake was van een arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 2023 tot 31 januari 2024 en over de betaling van loon en andere vergoedingen.
De kantonrechter stelde vast dat de arbeidsovereenkomst niet met wederzijds goedvinden was beëindigd en dat de advocaat tot 31 januari 2024 op basis van die overeenkomst werkzaam was. De vordering tot betaling van achterstallig loon werd afgewezen omdat de advocaat niet tijdig had geklaagd over het niet ontvangen salaris, waardoor de klachtplicht werd geschonden.
Wel werd de werkgever veroordeeld tot het voldoen van loonheffing over het bruto salaris, het verstrekken van een eindafrekening, het zorgen voor een verzekering tegen beroepsfouten en het betalen van beslagkosten. De gevorderde transitievergoeding en overige verklaringen voor recht werden afgewezen. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Arbeidsovereenkomst voortgezet tot 31 januari 2024; loonvordering afgewezen wegens schending klachtplicht; werkgever veroordeeld tot loonheffing, eindafrekening, beslagkosten en proceskosten.