Op 27 juni 2024 stak verdachte aangever meerdere keren met een mes in de bovenrug en borstkas tijdens een conflict waarbij aangever de zoon van verdachte aanviel. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van aangever door de aanmerkelijke kans op overlijden bewust te aanvaarden.
Verdachte voerde verweer op basis van noodweer en noodweerexces. Het beroep op noodweer werd verworpen omdat het steken met het mes niet proportioneel was ten opzichte van de aanval met blote handen op haar zoon. De rechtbank oordeelde echter dat het beroep op noodweerexces slaagt, omdat verdachte door een hevige gemoedsbeweging (paniek) werd gedreven die het gevolg was van de wederrechtelijke aanranding van haar zoon.
De rechtbank sprak verdachte vrij van straf wegens noodweerexces en verklaarde haar ontslagen van alle rechtsvervolging. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel werd opgelegd. Het mes werd onttrokken aan het verkeer en het bevel tot voorlopige hechtenis tegen verdachte werd opgeheven.