Deze uitspraak betreft een beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eersel om op grond van de Wet open overheid (Woo) bepaalde toezichts- en handhavingsdocumenten openbaar te maken. Verzoekers, bedrijven die betrokken zijn bij het verzoek, verzetten zich tegen openbaarmaking en vroegen tevens om een voorlopige voorziening om openbaarmaking tijdens de procedure te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het college terecht heeft besloten tot openbaarmaking, ook van documenten over ingetrokken handhavingsbesluiten, omdat deze documenten feitelijk bestaan en berusten bij het bestuursorgaan. De door verzoekers aangevoerde gronden, zoals schending van de persoonlijke levenssfeer, het bestaan van strafrechtelijke persoonsgegevens, en het openbaar maken van bedrijfs- en fabricagegegevens, slagen niet. Ook het beroep op onevenredige benadeling en schending van de hoorplicht wordt verworpen.
De voorzieningenrechter benadrukt het belang van openbaarheid voor democratische controle en wijst erop dat verzoekers onvoldoende bijzondere omstandigheden hebben aangevoerd die een uitzondering op het openbaarheidbeginsel rechtvaardigen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep ongegrond is. Verzoekers krijgen geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.F. Vink op 25 april 2025 en is openbaar. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.