Verzoeker diende op 14 februari 2025 een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Tijdens de zitting van 10 april 2025 werden verzoeker, de schuldhulpverlener en de beschermingsbewindvoerder gehoord. De schuldhulpverlener rapporteerde dat het leven van verzoeker sinds 2009 chaotisch was, met onder meer detentie, dakloosheid en psychische problemen. Na een periode van stabiliteit en werk tussen 2017 en 2019, werd verzoeker geconfronteerd met een traumatisch incident waarbij zijn werkgever werd geliquideerd, wat leidde tot terugval, arbeidsongeschiktheid en het niet kunnen aflossen van schulden.
De schuldhulpverlener en bewindvoerder stelden dat het onmogelijk was om een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen vanwege mogelijke onbekende schulden uit de periode van 2019-2020, mede door het feit dat verzoeker toen dakloos was en zijn post niet ontving. Ter zitting werd toegelicht dat het risico bestond dat schuldeisers zich later alsnog zouden melden, waardoor een minnelijk traject werd overgeslagen.
De rechtbank oordeelde echter dat sinds 1 maart 2021 verzoeker onder bewind staat en dat er geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Verzoeker woont sinds 2019 bij zijn ouders en er hebben zich geen nieuwe schuldeisers gemeld. De rechtbank acht de kans op nieuwe schuldeisers gering en stelt dat het minnelijk traject niet had mogen worden overgeslagen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot toepassing van de WSNP af.