ECLI:NL:RBOBR:2025:2501

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 april 2025
Publicatiedatum
28 april 2025
Zaaknummer
C/01/412725 / FT RK 25/102
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 aanhef en onder f Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onterecht overgeslagen minnelijk traject

Verzoeker diende op 14 februari 2025 een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Tijdens de zitting van 10 april 2025 werden verzoeker, de schuldhulpverlener en de beschermingsbewindvoerder gehoord. De schuldhulpverlener rapporteerde dat het leven van verzoeker sinds 2009 chaotisch was, met onder meer detentie, dakloosheid en psychische problemen. Na een periode van stabiliteit en werk tussen 2017 en 2019, werd verzoeker geconfronteerd met een traumatisch incident waarbij zijn werkgever werd geliquideerd, wat leidde tot terugval, arbeidsongeschiktheid en het niet kunnen aflossen van schulden.

De schuldhulpverlener en bewindvoerder stelden dat het onmogelijk was om een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen vanwege mogelijke onbekende schulden uit de periode van 2019-2020, mede door het feit dat verzoeker toen dakloos was en zijn post niet ontving. Ter zitting werd toegelicht dat het risico bestond dat schuldeisers zich later alsnog zouden melden, waardoor een minnelijk traject werd overgeslagen.

De rechtbank oordeelde echter dat sinds 1 maart 2021 verzoeker onder bewind staat en dat er geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Verzoeker woont sinds 2019 bij zijn ouders en er hebben zich geen nieuwe schuldeisers gemeld. De rechtbank acht de kans op nieuwe schuldeisers gering en stelt dat het minnelijk traject niet had mogen worden overgeslagen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot toepassing van de WSNP af.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat het minnelijk traject onterecht is overgeslagen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Toezicht
rekestnummer: C/01/412725 / FT RK 25/102
uitspraakdatum: 24 april 2025
afwijzing toepassing schuldsanering
In de zaak van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats],
wonende te [adres]
[woonplaats],
hierna te noemen: verzoeker.

1.Procesverloop

1.1.
Verzoeker heeft op 14 februari 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot
toepassing van de schuldsaneringsregeling. Op 26 februari 2025 zijn op de griffie van de rechtbank aanvullende stukken ontvangen. Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 10 april 2025. Daarbij is verzoeker gehoord. Ook zijn ter zitting mevrouw A.T.M. Brekelmans, schuldhulpverlener en mevrouw J.W.C. Smits, beschermingsbewindvoerder van Zeker Financiële Zorgverlening, verschenen.

2.Beoordeling

2.1.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient volgens art. 285 lid Pro
1, aanhef en onder f van de Faillissementswet (Fw) vergezeld te gaan van een met redenen
omklede verklaring waarin is vermeld dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een
buitengerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden
de verzoeker beschikt.
2.2.
De schuldhulpverlener heeft in haar rapportage van 27 januari 2025 onder andere aangegeven:

Er wordt een beroep gedaan op art. 285 lid 1 onderdeel Pro f Fw: Als aannemelijk is dat onvoldoende aflossingsmogelijkheden bij de verzoekerof andere omstandighedenhet onmogelijk maken om een buitengerechtelijke schuldenregeling tot stand te brengen, hoeft een dergelijke poging niet te worden gedaan.
Het inventariseren van schulden is zo goed mogelijk gedaan door zowel de beschermingsbewindvoerder als de schuldhulpverlener. Het leven van verzoeker was sinds 2009 echter tumultueus en chaotisch. Verzoeker verblijf in een Huis van Bewaring, in meerdere zelfstandige woningen, in een kliniek, was enige tijd dakloos, verblijf bij zijn ouders, had enige tijd geen inkomen, etc.
Duidelijk is dat het goed ging met verzoeker vanaf 2017. Hij kreeg zijn psychiatrische problemen onder controle met hulpverleners/behandelaars, maar vooral op eigen kracht, en hij kon 2 jaar lang onafgebroken en tot tevredenheid van zijn baas werken als magazijnmedewerker. Verzoeker had een woning en een vast inkomen. Hij had een vaste relatie. Hij was gestart met het aflossen van schulden en hij zag zijn toekomst positief.
In 2019 werd zijn baas in zijn bijzijn geliquideerd: de compagnon van de baas schoot de baas door het hoofd. Verzoeker was bij dat incident aanwezig en de impact voor hem was enorm. Alle vooruitgang die hij tot dat moment had geboekt verdween in één klap. Hij kon niet meer werken en werd uiteindelijk arbeidsongeschikt verklaard. zijn relatie eindigde. Hij kon zijn schulden niet langer aflossen. Hij begon weer te drinken in plaats van tijdig medicatie in te nemen en hij werd uiteindelijk dakloos. Verzoeker was terug bij af. Al zijn inspanningen in de 2 jaar daarvoor werden ongedaan gemaakt.
Het is aannemelijk dat in de periode van 2019/2020 schulden zijn ontstaan die tot heden niet bekend zijn geworden bij de beschermingsbewindvoerder en de schuldhulpverlener. Nadat verzoeker is ontruimd heeft hij immers geruime tijd zijn post niet ontvangen en leed hij bovendien aan een ernstige psychose, waardoor het leven aan hem voorbijging. Er zijn uit die periode geen schulden bekend geworden.
Het is om die reden onduidelijk en/of onzeker dat alle schulden daadwerkelijk bekend zijn.
Deze omstandigheden hebben tot gevolg dat een buitengerechtelijke schuldregeling niet tot stand kan komen. Het gevaar dat schulden tijdens of na een dergelijk traject alsnog bekend worden, bedreigt een eventueel tot stand gekomen buitengerechtelijke schuldregeling.”
2.3.
Ter zitting heeft mevrouw Brekelmans hieraan toegevoegd dat het regelmatig gebeurt dat zij gedurende een minnelijk traject geconfronteerd worden met vorderingen die voorafgaand aan het traject nog niet bekend waren. Omdat zij dit risico niet wilden lopen hebben zij afgezien van het doen van een aanbod aan de schuldeisers.
2.4.
Uit artikel 285 lid 1 aanhef Pro en onder f Fw moet worden afgeleid dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de schuldenaar een poging doet om aan zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. In het geval van verzoeker is er voor gekozen om geen aanbod te doen aan zijn schuldeisers omdat er, gezien het turbulente verleden van verzoeker, mogelijk nog schulden zijn die nog niet bekend zijn.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker sinds 1 maart 2021 onder beschermingsbewind staat bij mevrouw Smits. Mevrouw Smits heeft verklaard dat er gedurende het bewind geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Verzoeker woont sinds 2019 bij zijn ouders op hetzelfde adres. Sindsdien hebben zich geen schuldeisers meer gemeld. Dat kans dat er zich alsnog schuldeisers zullen melden is naar het oordeel van de rechtbank gering. Gezien ook het aantal en het soort de schuldeisers dat zich gemeld heeft bij verzoeker / de bewindvoerder ziet de rechtbank geen aanleiding te vermoeden dat zich nog meer schuldeisers zullen melden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een minnelijk traject onder deze omstandigheden niet overgeslagen had moeten worden.
2.5.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient derhalve te worden afgewezen.

3.Beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af;
Gewezen door mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2025 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]