In deze zaak hebben opposanten verzet ingesteld tegen een door de griffier geheven griffierecht van € 6.617,-, omdat dit volgens hen onjuist was berekend. De griffier had bij de berekening namelijk de totale waarde van alle vorderingen tegen alle gedaagde partijen bij elkaar opgeteld, terwijl volgens opposanten alleen de vorderingen tegen hen als specifieke gedaagde partij in aanmerking genomen mochten worden.
De rechtbank overweegt dat de wet bepaalt dat per verschenen gedaagde partij het griffierecht wordt berekend aan de hand van de tegen die partij ingestelde vorderingen. De cumulatie van vorderingen is alleen toegestaan voor partijen die bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidend verweer voeren. In dit geval voldoen opposanten aan die voorwaarden, maar de vorderingen tegen andere gedaagden mogen niet worden meegeteld.
De rechtbank verklaart het verzet gegrond, stelt het griffierecht vast op € 2.889,- en beveelt restitutie van het teveel betaalde bedrag van € 3.728,-. Tevens wordt de griffier veroordeeld in de proceskosten. Opposanten zijn in deze procedure geen griffierecht verschuldigd.