Eiseres kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van de Meststoffenwet in 2018. Na bezwaar en meerdere besluiten heeft de minister uiteindelijk de boete ingetrokken en op nihil gesteld. Hierdoor heeft eiseres geen belang meer bij het beroep tegen de boete en verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
De rechtbank oordeelt echter dat de redelijke termijn voor de besluitvorming, die begon op 18 november 2020 en eindigde op 2 mei 2025, met ruim tweeënhalf jaar is overschreden. Dit leidt tot toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 2.500 aan eiseres.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 907 en het griffierecht van € 371 aan eiseres. De procedure werd schriftelijk gevoerd zonder inhoudelijke zitting. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Oost-Brabant op 2 mei 2025.