Op 17 februari 2025 mishandelde de verdachte zijn advocaat in een spreekkamer van de penitentiaire inrichting te Vught door hem meerdere malen met gebalde vuisten tegen het hoofd te slaan. De mishandeling vond plaats onverwacht en veroorzaakte pijn, letsel en angst bij het slachtoffer. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte de advocaat mishandelde, maar sprak hem vrij van het vastpakken bij de nek en wurgen wegens gebrek aan bewijs.
De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het feit, het slachtoffer dat werkzaam was in het publieke domein en het onverwachte karakter van de mishandeling. De rechtbank wees een immateriële schadevergoeding van €750 toe aan het slachtoffer, maar verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot gederfde inkomsten en overige immateriële schade wegens onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde dat betaling aan de Staat of aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de ander vervult. De verdachte werd veroordeeld in de proceskosten tot op heden begroot op nihil en in de kosten voor tenuitvoerlegging. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 16 mei 2025.