Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2025:2945

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 mei 2025
Publicatiedatum
23 mei 2025
Zaaknummer
25/1030
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij kinderopvangtoeslag

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de Dienst Toeslagen vanwege de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2006 tot en met 2009. De dienst toeslagen had op het bezwaar van verzoeker niet tijdig beslist, waarop verzoeker een ingebrekestelling en beroep wegens niet tijdig beslissen heeft ingesteld.

De voorzieningenrechter oordeelt dat bij financiële geschillen zoals deze doorgaans geen sprake is van onverwijlde spoed, omdat het bedrag na afloop van de bodemprocedure alsnog kan worden terugbetaald met wettelijke rente. Verzoeker stelde dat het spoedeisend belang lag in de overschrijding van de beslistermijn en het belang bij een tijdige uitspraak, maar er was geen acute financiële nood of onomkeerbare situatie.

Omdat geen spoedeisend belang aanwezig is, kan een voorlopige voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter concludeert dat dit niet het geval is. Daarom wijst hij het verzoek als kennelijk ongegrond af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1030

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 mei 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. K.J.C. van Bekkum),
en

Dienst Toeslagen/ UHT, (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), dienst toeslagen.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen dienst toeslagen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Verzoeker heeft gevraagd om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. In een (primair) besluit van 8 juli 2024 heeft de dienst toeslagen de kinderopvangtoeslag (van 2006 tot en met 2009) herbeoordeeld. Verzoeker is het daar niet mee eens en heeft hiertegen op 19 augustus 2024 bezwaar gemaakt. Omdat de dienst toeslagen volgens verzoeker niet op tijd heeft beslist op het bezwaar heeft verzoeker de dienst toeslagen op 9 januari 2025 in gebreke gesteld en vervolgens op 6 februari 2025 beroep (niet tijdig beslissen) ingesteld.
1.3.
De dienst toeslagen heeft gereageerd op het verzoek om een voorlopige voorziening met een verweerschrift.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt.
3. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift gesteld dat het spoedeisend belang gelegen is het feit dat de beslistermijn is overschreden en dat het belang van verzoeker in het kader van de spoedeisendheid zwaarder weegt dan het belang van de dienst toeslagen. Het belang van verzoeker is er immers in gelegen een besluit en een uitspraak te verkrijgen binnen de wettelijke termijn.
4. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker belang heeft bij een spoedige beslissing van de rechtbank, volgt uit verzoekers toelichting niet dat sprake is van een acute financiële noodsituatie, die het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk maakt. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.
5. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de dienst toeslagen ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter doet deze situatie zich niet voor.
6. Gelet op het bovenstaande bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening en wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.O.Y. Elagab, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C.M. Boerboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.