Art. 4 Verordening (EU) Nr. 1215/2012Art. 24 lid 1 Verordening (EU) Nr. 1215/2012
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij vorderingen inzake onroerend goed in Duitsland
Partijen, ex-partners die samenwoonden, hebben tijdens hun relatie een appartement in Duitsland gekocht. De man vordert vergoeding van diverse bedragen die hij heeft betaald in verband met het appartement en investeringen in aandelen op naam van de vrouw. De vrouw betwist de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en stelt dat de Duitse rechter exclusief bevoegd is op grond van artikel 24 lid 1 vanPro Verordening Brussel I-bis.
De rechtbank onderzoekt of de exclusieve bevoegdheidsregel van artikel 24 lid 1 vanPro toepassing is. Dit artikel is van toepassing op zakelijke rechten op onroerend goed en geeft exclusieve bevoegdheid aan de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed is gelegen. De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van de man niet zien op de beëindiging van mede-eigendom of zakelijke rechten, maar op persoonlijke rechten tot vergoeding.
De rechtbank volgt de jurisprudentie van het Hof van Justitie dat artikel 24 lid 1 restrictiefPro moet worden uitgelegd en alleen ziet op vorderingen die zakelijke rechten betreffen. Omdat hier sprake is van persoonlijke rechten, is artikel 24 lid 1 nietPro van toepassing. De rechtbank verklaart zich bevoegd op grond van artikel 4 vanPro de Verordening en wijst het incident tot onbevoegdheid af. De proceskosten worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De hoofdzaak wordt op 16 juli 2025 voortgezet.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst het incident tot onbevoegdheid af.
Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/411495 / HA ZA 25-30
Vonnis in incident van 4 juni 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ( [land] ),
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. S.J. Hasselaar-Veltkamp,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.J.C. Odekerken.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding
de akte overlegging producties van de man
de zitting van 18 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
de incidentele conclusie
de incidentele conclusie van antwoord
de akte uitlating productie in incident van de vrouw.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2.De beoordeling
Het geschil
2.1.
De hoofdzaak gaat volgens de dagvaarding kort gezegd om het volgende. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en samengewoond. Zij hebben tijdens hun relatie samen een appartement gekocht in Duitsland . De man stelt dat hij tijdens en na de relatie betalingen heeft gedaan ten behoeve van de aankoop van het appartement, dat hij een nieuwe keuken heeft betaald, dat hij sinds de aankoop van het appartement alle maandelijkse aflossingen op de hypotheek en de eigenaarslasten betaalt en dat hij bedragen heeft overgemaakt naar de vrouw bij wijze van investering in aandelen die op naam staan van de vrouw. Volgens de man moet de vrouw een deel van deze bedragen aan hem vergoeden. De man vordert daarom in de hoofdzaak dat de vrouw wordt veroordeeld om aan hem te voldoen € 59.313,50 voor de aankoop van de woning, € 15.304,00 voor de keuken, € 24.659,50 voor de hypotheek en de eigenaarslasten (te vermeerderen met nog komende betalingen) en € 52.640,00 voor de investeringen in goederen van de vrouw, allen te vermeerderen met rente.
2.2.
De vrouw vordert in het incident dat de man niet-ontvankelijk wordt verklaard althans dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van de man kennis te nemen. De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De inhoudelijke beoordeling
2.3.
De vrouw stelt dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft en dat aan de Duitse rechter rechtsmacht toekomt. De man voert als verweer aan dat de Nederlandse rechter wel rechtsmacht heeft.
2.4.
In deze procedure is de Verordening Brussel I-bis [1] van toepassing. Daarin is in artikel 4 alsPro hoofdregel bepaald dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat opgeroepen worden voor de gerechten van die lidstaat. Dat is in dit geval Nederland.
2.5.
Volgens de vrouw is de exclusieve bevoegdheidsregel van artikel 24 lid 1 VerordeningPro Brussel I-bis van toepassing waarin onder andere staat dat voor zakelijke rechten op onroerende goederen de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed is gelegen bij uitsluiting bevoegd is, ongeacht de woonplaats van partijen. Dat is volgens de vrouw omdat alle vorderingen van de man betrekking hebben op een onroerende zaak in Duitsland en de man met de vorderingen (impliciet) beoogd een einde te maken aan het mede-eigendom van het onroerend goed. De man vordert strikt genomen geen verdeling van een onroerend goed, maar alle vorderingen van de man zijn volgens de vrouw zozeer verweven met een beëindiging van het mede-eigendom van het onroerend goed dat dit geschil ook moet worden gerekend tot de categorie waarop artikel 24 zietPro. De rechtbank volgt dit standpunt van de vrouw niet. De vorderingen van de man zien niet op (impliciete) beëindiging van het mede-eigendom van het onroerend goed. Dat wordt ook door de man betwist. Uit de dagvaarding blijkt dat het alleen gaat om het vergoeden van bedragen die onder andere betrekking hebben op het appartement. Er is niet gesteld of gebleken dat daarmee de verdeling van het appartement wordt beoogd. Het kan zo zijn dat de vrouw er belang bij heeft dat de rechter zich ook uitspreekt over de verdeling van het onroerend goed, omdat als komt vast te staan dat de man een vordering heeft op de vrouw, de vrouw de vordering alleen zou kunnen voldoen uit haar aandeel in de overwaarde van het onroerend goed, maar er wordt geen verdeling gevorderd dus de rechtbank kan daar ook niet over beslissen.
2.6.
De man voert terecht ook als verweer aan dat het in dit geval gaat het om een persoonlijk recht en niet om een zakelijk recht, waarop artikel 24 lid 1 VerordeningPro Brussel I-bis niet ziet. Het Hof van Justitie heeft de restrictieve uitlegging van de bevoegdheidsregel van artikel 24 lid 1 herhaaldelijkPro benadrukt (zie bijvoorbeeld HvJ EG 18 mei 2006, C-343/04, ECLI:EU:C:2006:330). Het moet gaan om vorderingen die ertoe strekken de omvang, de hoedanigheid, de eigendom of het bezit van een onroerend goed of het bestaan van andere zakelijke rechten op dit onroerend goed vast te stellen en om de rechthebbenden de bescherming van de aan hun titel verbonden bevoegdheid te verzekeren (HvJ EG 10 januari 1990, C-115/88, ECLI:EU:C:1990:3 en HvJ EU 17 december 2015, C-605/14, ECLI:EU:C:2015:833). De vordering moet op een zakelijk recht zijn gebaseerd en niet op een persoonlijk recht. Het verschil tussen een zakelijk recht en een persoonlijk recht is dat een zakelijk recht op een zaak werking heeft jegens iedereen, terwijl een persoonlijk recht alleen tegenover de debiteur geldend kan worden gemaakt (HvJ EG 9 juni 1994, C-292/93, ECLI:EU:C:1994:241). Dat laatste is hier het geval. Artikel 24 lid 1 isPro dus niet van toepassing.
2.7.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat zij op grond van artikel 4 VerordeningPro Brussel I-bis bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen. De incidentele vordering van de vrouw zal worden afgewezen.
2.8.
Gelet op de (gewezen) relatie tussen partijen zullen de proceskosten in het incident tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3.De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
3.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 juli 2025voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2025.
Voetnoten
1.Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken