Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
1.De procedure
- de akte van [gedaagden] met producties (productie 8 t/m 11);
- de antwoordakte van [eiser] met producties (productie 21 en 22);
2.De verdere beoordeling
Verder nog tussendoor afgesproken: Dakkappelen en schoorsteen af werken met aluminium (zelfde kleur als de kozijnen. Ral 7021): Dakkappellen aan de zijkant Zink look en aan de voorkanten strak.” [eiser] heeft hier verder niet op gereageerd dus moet ervan uitgegaan worden dat [eiser] ook de schoorsteen zou afwerken met aluminium. Voor zover een deel van de gevorderde kosten daarop ziet, moet dit echter afgewezen worden omdat sprake is van een regieovereenkomst. Vaststaat dat [eiser] deze werkzaamheden niet heeft uitgevoerd en er ook niets voor in rekening gebracht heeft. [gedaagden] heeft hierdoor dus geen schade geleden. Hij kan, zo moet de kantonrechter aannemen, voor hetzelfde geld een ander inhuren om het werk uit te voeren.
(“Heb ik eraf moeten halen. Kan niet zo op het dakkapel. Maar er waren er al beschadigd.”)
.Dat de schade aan de dakpannen is veroorzaakt door het aftimmeren van de dakkapellen kan daarom naar het oordeel van de kantonrechter niet aangenomen worden, bij gebreke van een toereikende onderbouwing. Het gevorderde bedrag wordt afgewezen.
Op 15 februari heb ik in app-verkeer met [D] afgesproken dat [E] de stuc werkzaamheden compleet zou uitvoeren voor 12.000,- euro incl. BTW, de basis voor deze offerte was de prijsopgave van [F]
totaal ex BTW € 18.288,73
Totaal incl. BTW € 22.129,36
de totale prijs van de zaken of diensten, met inbegrip van alle belastingen, of, als door de aard van de zaak of de dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend, en, voor zover van toepassing, alle extra vracht-, leverings- of portokosten of, indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, in ieder geval het feit dat er eventueel dergelijke extra kosten verschuldigd kunnen zijn”.
“Art. 6:230v lid 3 BW vormt, als gezegd, de implementatie van art. 8 lid Pro 2, tweede alinea, Richtlijn consumentenrechten (zie hiervoor in 4.3). De considerans van deze richtlijn vermeldt dat de richtlijn tot doel heeft de goede werking van de interne markt te bevorderen, waarbij een juist evenwicht ontstaat tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven. Ook het HvJEU heeft erop gewezen dat bij de handhaving van de informatieplichten van de Richtlijn consumentenrechten dit evenwicht moet worden gewaarborgd.”). Daarom was het genoeg geweest als [eiser] een grove indicatie zou hebben gegeven van (a) de verwachte omvang van het werk dat hij in regie zou uitvoeren, afhankelijk uiteraard van de instructies van [gedaagden] , en (b) de wijze waarop de kosten zouden worden berekend (bijvoorbeeld: aantal daadwerkelijk gewerkte uren x uurtarief per vakman + daadwerkelijke kosten materialen + eventuele opslag). Als [eiser] nog meer informatie zou moeten verstrekken, dan heeft dit belangrijke ongunstige consequenties:
* [eiser] zou veel extra werk moeten doen om prijzen uit te rekenen, waardoor de – voor consumenten – zeer aanzienlijke voordelen van werken in regie verloren gaan
* deze voordelen houden in dat de vaklieden niet hoeven te werken met marges voor onzekerheden
* de prijzen worden nog veel hoger door de kosten van dat werk en om eventuele onzekerheden af te dekken (zoals: het blijkt achteraf meer werk te zijn en meer te kosten dan gedacht)
* vaklieden zullen beslissen bepaalde diensten niet langer aan te bieden, of in elk geval niet aan consumenten of bepaalde groepen van consumenten.
* [eiser] is een kleine zelfstandige vakman/aannemer (zzp)
* [eiser] heeft niemand in dienst om te voldoen aan de omvangrijke regelgeving
* [eiser] heeft nette documentatie opgemaakt, daarop de uren vermeld en btw in rekening gebracht
* [eiser] heeft wel het uurtarief verteld
* bij al het voorgaande komt nog dat de stress, tijd en kosten van deze procedure al zwaar wegen voor [eiser] zodat hij al om deze reden de les leert om consumenten te informeren over de verwachte kosten.
3.De beslissing
3 juli 2025voor akte van beide partijen tot het hiervoor onder 2.46 omschreven doel, en houdt iedere verdere beslissing aan.