Eiseres kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en fosfaatgebruiksnorm in 2019. De minister baseerde de boete op forfaitaire normen uit de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Eiseres voerde aan dat deze normen niet op haar situatie van toepassing zijn en presenteerde theoretische berekeningen die een lagere mestproductie suggereren, maar leverde geen bedrijfsspecifiek verifieerbaar bewijs.
De rechtbank oordeelt dat eiseres niet in bewijsnood verkeert omdat zij redelijkerwijs bedrijfsspecifiek bewijs had kunnen aanleveren, bijvoorbeeld via bemonstering of weging van runderen. De minister heeft de boete terecht vastgesteld op basis van de forfaitaire normen. Wel is de redelijke termijn voor de procedure overschreden met bijna twee jaar.
Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft en stelt de boete vast op € 23.674,05, 10% lager dan het oorspronkelijke bedrag. De minister moet bovendien het griffierecht aan eiseres vergoeden. Het beroep wordt gegrond verklaard vanwege de termijnoverschrijding, niet vanwege inhoudelijke bezwaren tegen de boete.