De rechtbank Oost-Brabant heeft op 16 juni 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen een minderjarige verdachte die betrokken was bij het vervaardigen en leveren van een vuurwerkbom die op 5 maart 2024 is afgestoken bij een restaurant in Eindhoven. Verdachte maakte een explosief bestaande uit Cobra-vuurwerk bevestigd aan een plastic fles met motorbenzine en gaf dit explosief door aan een opdrachtgever.
De rechtbank sprak verdachte vrij van medeplegen, omdat onvoldoende bewijs was voor nauwe samenwerking, maar achtte medeplichtigheid bewezen. Verdachte had voorwaardelijk opzet op de brandstichting en ontploffing, omdat hij bewust de kans aanvaardde dat het explosief gebruikt zou worden. Daarnaast was bewezen dat verdachte zonder erkenning explosieven gebruikte en een geïmproviseerde explosieve constructie in bezit had.
De rechtbank paste het jeugdstrafrecht toe, mede op advies van de reclassering die de kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid van verdachte benadrukte. Gezien de ernst van de feiten legde de rechtbank een deels voorwaardelijke jeugddetentie van 180 dagen op, met aftrek van voorarrest en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, begeleiding en locatiegebod. De rechtbank wees een taakstraf af en besloot tot teruggaaf van beslag aan de eigenaar van het restaurant. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen.