Uitspraak
interceptievan de ANØM-data stelt de verdediging zich op het standpunt dat voorafgaand aan de interceptie (door een onbekende lidstaat van de EU) een kennisgeving aan de Nederlandse autoriteiten had moeten worden verzonden op grond van artikel 31 van Pro de EOB-richtlijn (2014/41). Uit de jurisprudentie van het HvJ EU blijkt volgens de verdediging dat deze richtlijn beoogt rechtsbescherming te bieden aan gebruikers op wie een dergelijke maatregel is gericht.
interceptieals de
verwerkingvan de ANØM-data heeft de verdediging erop gewezen dat de juridische kaders uit (de jurisprudentie betreffende) richtlijn 2016/680 alsook richtlijn 2002/58 relevant zijn. Toepassing van die juridische kaders op de ANØM-operatie leidt tot de conclusie dat er sprake is van een onrechtmatige interceptie en onrechtmatige gegevensverwerking.
equality of armsen
adversarial trial). Indien de rechtbank het verweer van de verdediging niet volgt, wordt de rechtbank verzocht zich nader te laten voorlichten over een aantal aspecten van de ANØM-operatie. Daarnaast doet de verdediging in dat geval een verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU door de rechtbank.
encryptedberichten ontsleuteld kon worden.
Elkvan die individuele cryptetelefoons werd gebruikt voor de communicatie inzake ernstige strafbare feiten.
openbareelektronische communicatiedienst. Deze richtlijn voorziet in de harmonisering van de regelgeving van de lidstaten die nodig is om een gelijk niveau van bescherming van fundamentele rechten en vrijheden – met name het recht op een persoonlijke levenssfeer en vertrouwelijkheid – bij onder meer de verwerking van persoonsgegevens in de sector elektronische communicatie te waarborgen. De rechtbank is overigens met de verdediging van oordeel dat de interceptie en verwerking van de ANØM-data niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt.
Zaaksdossier 1 [adres 2] te Heerlen.
Zaaksdossier 2 [adres 3] te Sint-Oedenrode.
Zaaksdossier 3 [adres 4] te Dinteloord.
Zaaksdossier 4 criminele organisatie.
De rechtbank zal bij het bepalen van de straf wel rekening houden met de omstandigheid dat ten aanzien vande feiten 1, 2 en 3, telkens ten aanzien van ieder afzonderlijk lab, bepaalde handelingen naar aard, en in tijd en plaats en zodanig overeen komen dat ze in essentie één feit betreffen, dat in meerdere strafbepalingen valt. Naar het oordeel van de rechtbank is met betrekking tot een deel van de handelingen in de te onderscheiden labs sprake van eendaadse samenloop.