Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
.
Rechtbank Oost-Brabant
De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van verkrachting en ontucht met een minderjarige in de periode van juni 2011 tot augustus 2013. De tenlastelegging omvatte het seksueel binnendringen van het slachtoffer, een minderjarige, waarbij sprake zou zijn geweest van geweld of bedreiging. De officier van justitie vorderde een jeugddetentie en een taakstraf.
Tijdens de zitting op 20 juni 2025 werd vastgesteld dat de dagvaarding geldig was en dat de rechtbank bevoegd was. De verklaringen van het slachtoffer werden als betrouwbaar beoordeeld, maar de rechtbank benadrukte dat volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro de verklaring van één getuige niet voldoende is zonder steunbewijs. De verklaringen moesten op specifieke punten bevestigd worden door ander bewijs.
De rechtbank concludeerde dat de verklaringen van het slachtoffer onvoldoende steun vonden in andere bewijsmiddelen. Verklaringen van betrokkenen en getuigen boden geen bevestiging van de specifieke seksuele handelingen. Daarnaast waren verklaringen van getuigen die het slachtoffer hadden gehoord niet onafhankelijk en boden geen steunbewijs. Het dossier bevatte ook een proces-verbaal dat onvoldoende steun bood.
Gezien het ontbreken van voldoende steunbewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Het vonnis werd gewezen door voorzitter kinderrechter N. Flikkenschild en lid R. Grimbergen, waarbij mr. J.H.L.M. Snijders wegens verhindering niet medeondertekende.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende steunbewijs bij de verklaringen van het slachtoffer.