ECLI:NL:RBOBR:2025:4515

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
15 juli 2025
Zaaknummer
C/01/402402 / HA ZA 24-191
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot rekening en verantwoording door erfgenamen van erflaatster tegen de gevolmachtigde

In deze zaak vorderen de erfgenamen van de erflaatster, die op 7 maart 2024 gedagvaard zijn door de eiser, rekening en verantwoording van de huishoudelijke hulp die de erflaatster heeft ontvangen. De rechtbank heeft op 16 juli 2025 een tussenuitspraak gedaan. De eiser, die de erflaatster hielp met huishoudelijke werkzaamheden, heeft een volmacht gekregen om over de bankrekeningen van de erflaatster te beschikken. De erfgenamen stellen dat de eiser misbruik heeft gemaakt van deze volmacht en vorderen dat hij rekening en verantwoording aflegt. De rechtbank oordeelt dat de enkele omstandigheid dat de erflaatster een volmacht heeft verleend, niet automatisch met zich meebrengt dat de eiser verantwoording moet afleggen aan de erfgenamen. De rechtbank concludeert dat de erfgenamen onvoldoende hebben onderbouwd dat de eiser onrechtmatig heeft gehandeld of ongerechtvaardigd is verrijkt. De rechtbank wijst de vorderingen van de erfgenamen af en stelt de eiser in de gelegenheid om andere betrokkenen op te roepen in de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/402402 / HA ZA 24-191
Vonnis van 16 juli 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.C.C.A.M. Kuijken,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
advocaat: mr. S.H. Oosterhuis-Broers,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
advocaat: mr. S.H. Oosterhuis-Broers,
3.
[gedaagde 3],
te [plaats] ,
advocaat: mr. S.H. Oosterhuis-Broers,
4.
[gedaagde 4],
te [plaats] ,
advocaat: mr. S.H. Oosterhuis-Broers,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden]

1.De procedure

1.1.
[eiser] heeft [gedaagden] op 7 maart 2024 gedagvaard. [gedaagden]
hebben op 1 mei 2024 schriftelijk gereageerd op de dagvaarding (conclusie van antwoord). Daarbij hebben zij ook tegenvorderingen ingesteld (eis in reconventie).
1.2.
Bij e-mail van 30 januari 2025 heeft de rechtbank partijen laten weten dat in deze zaak een mondelinge behandeling (zitting) zal worden gehouden. Voorafgaand aan de zitting hebben [gedaagden] schriftelijk gereageerd op de tegenvorderingen van [eiser] (conclusie van antwoord in reconventie).
1.3.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025. Hiervan zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Tijdens de zitting zijn de stellingen van partijen nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen.
1.4.
Ten slotte heeft de rechtbank beslist dat vandaag vonnis zal worden gewezen in deze zaak.

2.De feiten

2.1.
Mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) is op [datum overlijden] 2023 in [plaats] overleden. Zij was ten tijde van haar overlijden niet gehuwd en niet geregistreerd als partner. Zij is eerder gehuwd geweest met [A] (hierna: [A] ). Dit huwelijk is op [datum overlijden A] 2006 ontbonden door het overlijden van [A] .
2.2.
Uit het huwelijk tussen erflaatster en [A] is dochter [gedaagde 2] (gedaagde in conventie sub 2, hierna: [gedaagde 2] ) geboren.
2.3.
[gedaagde 2] heeft drie kinderen:
  • de heer [gedaagde 1] , wonend in [plaats] (gedaagde in conventie sub 1, hierna: [gedaagde 1] );
  • de heer [gedaagde 3] , wonend in [plaats] (gedaagde in conventie sub 3, hierna: [gedaagde 3] );
  • de heer [gedaagde 4] , wonend in [plaats] (gedaagde in conventie sub 4, hierna: [gedaagde 4] ).
2.4.
[eiser] hielp erflaatster tot haar dood met huishoudelijke werkzaamheden.
2.5.
Bij testament van 18 november 2020 heeft erflaatster alle vroeger door haar gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen, aan [gedaagde 2] een geldsom gelegateerd ter grootte van haar legitieme portie, aan haar kappers ( [kapper 1] en [kapper 2] , hierna: [kapper 1] en [kapper 2] ) en [eiser] een geldsom ter grootte van 1/8e deel van het saldo van de nalatenschap, en aan de pedicure van erflaatster, mevrouw [pedicure] (hierna: [pedicure] ), een bedrag van € 25.000,00. Verder heeft erflaatster bij dit testament [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] tot enig erfgenamen benoemd en [eiser] en de heer [kapper 2] tot executeur.
2.6.
Op 26 september 2022 heeft erflaatster een machtiging afgegeven aan [eiser] om – kort gezegd – te beschikken over de betaal- en spaarrekening van erflaatster bij de Rabobank. In deze volmacht staat onder meer:
“Beschikken over tegoed/krediet op rekening m.u.v. betaalpas en creditcard
De volmachtgever verklaart hierbij volmacht te geven aan de gevolmachtigde om
namens de volmachtgever:
a. a) op alle door de bank nu en in de toekomst toegelaten wijzen (waaronder op
elektronische wijze) te beschikken over de tegoeden en eventuele kredieten op de
onderstaande rekening(en), met uitzondering van beschikkingen met behulp van een
betaalpas of creditcard;
b) op alle door de bank nu en in de toekomst toegelaten wijzen informatie te ontvangen
over (het verloop van) de onderstaande rekening(en), inclusief informatie over aan deze
rekening(en) gekoppelde creditcards;
c) de juistheid van een saldo op deze rekening(en) te erkennen.
(…)
Rekening(en) Soort rekening Rekeningnummer(s)Rabo SpaarRekening [rekeningnummer 1]
Rabo BasisRekening [rekeningnummer 2] ”
2.7.
Erflaatster heeft bij testament van 17 maart 2023 alle vroeger door haar gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen, aan haar kapper en [eiser] ieder een geldsom gelegateerd van € 25.000,00, en [gedaagde 2] , [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] benoemd tot enig erfgenaam. [gedaagde 1] is daarnaast benoemd tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Hij heeft deze benoeming aanvaard.
2.8.
Op 17 maart 2023 heeft erflaatster ook een levenstestament laten opmaken en passeren. Daarin werd aan [gedaagde 1] een volmacht verstrekt om – kort gezegd – erflaatster in al haar hoedanigheden te vertegenwoordigen in alle zaken en namens haar alle rechtshandelingen te verrichten. De volmacht strekte zich uitdrukkelijk ook uit tot daden van beschikking.
2.9.
Erflaatster heeft op 24 maart 2023 aangifte gedaan van verduistering tegen [gedaagde 1] .
2.10.
Op 30 maart 2023 heeft erflaatster het levenstestament herroepen.
2.11.
Vervolgens is eerst notaris Houtepen te Eindhoven benaderd om het testament van 17 maart 2023 te herroepen. Erflaatster is in dat kader door de notaris bezocht. Dit heeft echter niet tot een wijziging van het testament geleid, omdat de notaris erflaatster wilsonbekwaam achtte.
2.12.
De heer [B] , specialist ouderengeneeskunde bij [bedrijfsnaam B] , heeft in dit verband bij brief van 24 april 2023 het volgende aan notaris Houtepen geschreven:
“In het kader van een beoordeling van de wilsbekwaamheid, heb ik op 18 april 2023, op
eigen verzoek van mevrouw, onderzoek verricht bij mevrouw [erflaatster] ,
geboren op [geboortedatum] 1932, te [geboorteplaats] , woonachtig aan de [adres 1] te [plaats] , om
te beoordelen of zij bekwaam is om haar wil te bepalen met betrekking tot het laten
opstellen van haar testament
Op het moment dat ik haar spreek heeft zij een helder bewustzijn. Zij werkt aan het
onderzoek mee. Bij het onderzoek constateer ik milde cognitieve problemen. Uit haar
reacties en antwoorden blijkt echter dat zij niet voldoende in staat is om een consequente
keuze te maken, en de juiste zaken aan elkaar te verbinden en tot oordelen te komen ten
aanzien van deze keuze. Zij kan niet goed verwoorden waarom zij de voorliggende keuze in
haar testament maakt.
Concluderend is mijn mening dat mevrouw [erflaatster] niet meer bekwaam is om haar wil te
bepalen ten aanzien van het laten wijzigen van haar testament.”
2.13.
Bij beschikking van 10 juli 2023 heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant een mentorschap ingesteld ten behoeve van erflaatster en een bewind ingesteld over alle (toekomstige) goederen van erflaatster, met benoeming van SAAM Thuisbegeleiding B.V. tot mentor en bewindvoerder.
2.14.
Op 28 augustus 2023 heeft erflaatster een cognitieve screening gehad van mevrouw [C] , specialist ouderengeneeskunde bij Archipel. Mevrouw [C] heeft haar bevindingen neergelegd in een verslag van 29 augustus 2023.
2.15.
Bij brief van 8 november 2023, en later nog een keer bij brief van 14 december 2023, heeft de (voormalige) advocaat van [eiser] de nietigheid van het testament van 17 maart 2023 ingeroepen en [gedaagden] verzocht de nietigheid van het testament schriftelijk te bevestigen.
2.16.
[gedaagden] hebben aan die verzoeken geen gehoor gegeven en de nietigheid van het testament bestreden.
2.17.
De nalatenschap van erflaatster is door [gedaagden] zuiver aanvaard en [gedaagde 1] is gestart met zijn taak als executeur-afwikkelingsbewindvoerder.

3.De vorderingen van [eiser] en de tegenvorderingen van [gedaagden]

3.1.
[eiser] vordert in deze procedure om het testament van 17 maart 2023 te vernietigen, althans te verklaren voor recht dat het testament nietig is. Verder vordert [eiser] om [gedaagden] te veroordelen om de wijzigingen ten aanzien van het vermogen van erflaatster per [datum overlijden] 2023 ongedaan te maken en het vermogen onmiddellijk ter beschikking te stellen aan de executeur als genoemd in het testament van 18 november 2020. Ten slotte vordert [eiser] om [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
In reconventie vorderen [gedaagden] om [eiser] op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording aan [gedaagde 1] , althans de gezamenlijke erfgenamen, over de punten als genoemd in de dagvaarding. Verder vorderen [gedaagden] een verklaring voor recht dat [eiser] ongerechtvaardigd is verrijkt, althans onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van erflaatster c.q. de erfgenamen, en dat [eiser] gehouden is om de schade aan de nalatenschap te vergoeden. Ten slotte vorderen [gedaagden] om [eiser] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan de nalatenschap, althans aan de gezamenlijke deelgenoten, een bedrag van € 123.777,71 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.
3.3.
Wat partijen aan hun vorderingen ten grondslag leggen, en wat zij daartegen als verweer hebben aangevoerd, zal de rechtbank – voor zover nodig voor de beoordeling – hierna vermelden.

4.De beoordeling

Beroep op nietigheid van het testament van 17 maart 2023
4.1.
[eiser] vordert in deze procedure onder andere een verklaring voor recht dat het testament van 17 maart 2023 nietig is.
4.2.
Het is de bedoeling dat de verklaring voor recht op bindende wijze vaststelt dat het testament nietig is en, zodra die verklaring gezag van gewijsde heeft, tegen ieder kan worden ingeroepen die aan dat testament een recht zou kunnen ontlenen. De nietigheid van een testament betreft dus een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het is daarom noodzakelijk om iedereen tegen wie op deze nietigheid een beroep moet worden gedaan te dagvaarden. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van de inhoud en de aard van dat testament. Dat zijn in ieder geval de personen die op grond van dat testament erfgenaam, legataris, lastbevoordeelde, executeur of bewindvoerder zijn, maar ook de personen die dat zouden zijn indien het beroep op de nietigheid slaagt.
4.3.
Aan [kapper 1] , [kapper 2] en [eiser] is in het testament van 17 maart 2023 een legaat toegekend. [gedaagde 2] , [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn in dat testament benoemd tot enig erfgenaam. [gedaagde 1] is daarnaast benoemd tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Wanneer het beroep op nietigheid van het testament slaagt, dan zijn [kapper 1] , [kapper 2] , [eiser] en [pedicure] op grond van het testament van 18 november 2020 legataris. [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn in dat testament tot enig erfgenamen benoemd en [eiser] en [kapper 2] tot executeur.
4.4.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, hebben [kapper 1] , [kapper 2] en [pedicure] het recht om over de gevorderde verklaring voor recht een standpunt in te nemen. Met dat doel moet [eiser] de gelegenheid worden geboden om [kapper 1] , [kapper 2] en [pedicure] op de voet van artikel 118 Rv op te roepen.
4.5.
De rechtszaak wordt aangehouden om [eiser] de gelegenheid te geven om [kapper 1] , [kapper 2] en [pedicure] op de voet van artikel 118 Rv op te roepen. De rechtbank zal hierna wel alvast haar oordeel geven over de vorderingen in reconventie.
Rekening en verantwoording, onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking
4.6.
[gedaagden] vorderen in reconventie om [eiser] op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen om rekening en verantwoording af te leggen aan [gedaagde 1] als executeur, dan wel aan de erfgenamen gezamenlijk. Aan deze vordering leggen [gedaagden] – samengevat – ten grondslag dat [eiser] misbruik van omstandigheden heeft gemaakt. Zij voeren in dit verband aan dat [eiser] vanaf 26 september 2022 een volmacht had om over de bankrekeningen van erflaatster te beschikken. Volgens [gedaagden] heeft [eiser] gedurende de periode dat zij de beschikking had over de pinpas van erflaatster grote bedragen contant opgenomen en boodschappen gepind. [gedaagden] stellen dat dit niet past bij de levensstijl en het uitgavenpatroon van erflaatster van voor de afgifte van de volmacht. Verder wijzen zij erop dat erflaatster niet in staat was om bezwaar te maken tegen de handelswijze en dat zij geen inzicht had in haar financiële administratie. [gedaagden] stellen in dit verband dat erflaatster zich bij [gedaagde 1] beklaagde over de gang van zaken, namelijk dat grote delen van haar administratie ontbraken, en dat de rest van de administratie een puinhoop was.
4.7.
Voor de onderbouwing van hun stelling dat de pinopnames en betalingen niet passen bij het uitgavenpatroon van erflaatster, voeren [gedaagden] aan dat de vaste kosten van erflaatster via automatische incasso werden afgeschreven en dat de boodschappen altijd contant werden afgerekend. [gedaagden] wijzen er verder op dat de woning van erflaatster hypotheekvrij was, waardoor haar woonlasten enkel bestonden uit vaste lasten voor belastingen, verzekeringen, gas, water en licht. Volgens [gedaagden] pinde erflaatster pinde elke maand een bedrag van € 1.250,00 bij een pinautomaat in de buurt van haar woning aan de [adres 2] in [plaats] , en is het opvallend dat de pinopnames na het verlenen van de volmacht gedaan werden bij de automaat aan het Biarritzplein Eindhoven.
4.8.
[gedaagden] stellen onder verwijzing naar zelfgemaakte overzichten dat in de periode maart 2023 tot juli 2023 € 6.600,00 meer contant geld is opgenomen dan gebruikelijk, uitgaande van een reguliere maandelijkse opname van € 1.250,00, en dat er gemiddeld voor € 550,00 per maand aan boodschappen werd gepind. Volgens [gedaagden] is voor een totaalbedrag van € 11.600,00 aan pinbetalingen gedaan. Zij vinden het niet realistisch dat een dame van 91 jaar oud, die op dat moment weinig meer buiten kwam en weinig nodig had, deze uitgaven zou hebben gedaan. Hierbij tekenen [gedaagden] aan dat het uitgaven- en opnamepatroon niet strookt met de uitgaven en opnames van voor die tijd.
4.9.
Ten slotte stellen [gedaagden] dat [eiser] gebruikmaakte van de auto van erflaatster en dat zij van [geboortedatum] 2023 tot 11 juli 2023, de ingangsdatum van het meerderjarigenbewind, veertien keer getankt heeft voor een totaalbedrag van € 952,23, terwijl een bedrag van € 507,62 normaal zou zijn geweest als [eiser] elke dag bij erflaatster over de vloer zou zijn gekomen, wat volgens [gedaagden] niet zo is. [gedaagden] stellen daarom dat voor een bedrag van € 444,61 getankt is, zonder dat daarvoor een logische verklaring is gegeven.
4.10.
[gedaagden] menen dat op grond van het voorgaande vaststaat dat [eiser] misbruik heeft gemaakt van omstandigheden, zodat zij de genoemde bedragen op grond van ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatige daad moet terugbetalen.
4.11.
[eiser] brengt hier – samengevat – tegen in dat erflaatster een vrouw van de oude stempel was, die gewend was om contante betalingen te doen. Volgens [eiser] passen de contante geldopnames wel degelijk bij de levensstijl van erflaatster. In dit verband voert zij aan dat erflaatster ook in de jaren daarvoor grote contante geldopnames deed, maar dat [gedaagden] verzuimd hebben om bankafschriften van de jaren daarvoor in het geding te brengen. [eiser] wijst erop dat [gedaagden] de contante geldopnames en de pinbetalingen in de periode maart 2023 tot juli 2023 vergelijken met die in de periode van 4,5 maanden respectievelijk 9 maanden daarvoor, en dat dit geen representatieve vergelijking is. [eiser] voert ten aanzien van de pinbetalingen aan dat ook deze passen bij de levensstijl van erflaatster, omdat zij een vrouw van stand was, die al haar boodschappen kocht bij de slager, traiteurs en hoogwaardige groentewinkels, terwijl zij daarnaast ook veel kleding kocht bij boetieks. Uitgaven van € 1.000,00 voor kleding waren volgens [eiser] geen uitzondering. [eiser] stelt dat erflaatster weliswaar veel contant betaalde, maar dat dit niet betekent dat nooit pinbetalingen werden gedaan, omdat ook steeds meer winkels geen contante betalingen meer accepteren. Verder voert [eiser] aan dat ook de buurvrouw en [kapper 1] en [kapper 2] erflaatster faciliteerden bij het doen van contante geldopnames. Wat betreft de benzinekosten voert [eiser] aan dat dit bedrag goed te verklaren is, omdat zij wekelijks drie of vier keer naar erflaatster reed, waarbij een afstand tussen de 105 en 140 kilometer per dag werd afgelegd. Volgens [eiser] wilde erflaatster graag dat [eiser] in haar auto reed en dat zij de benzinekosten voor haar rekening nam.
4.12.
De rechtbank overweegt dat een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording kan worden aangenomen als tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de één jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (zie onder meer HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089). Gesteld noch gebleken is dat in dit geval sprake is van een wettelijke of uit een rechtshandeling voortvloeiende verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording.
4.13.
De rechtsverhouding tussen [eiser] en erflaatster kenmerkte zich enerzijds door de door erflaatster aan [eiser] verleende volmacht om ten laste van de bankrekeningen van erflaatster geld op te nemen en (met het opgenomen geld) betalingen te doen, en anderzijds door het, door [eiser] gestelde en door [gedaagden] onvoldoende weersproken feit dat [eiser] erflaatster al jaren intensief heeft bezocht en met allerlei noodzakelijke (mantel)zorg heeft omringd en ondersteund.
4.14.
De enkele omstandigheid dat erflaatster een volmacht aan [eiser] heeft verleend, brengt nog niet met zich dat [eiser] rekening en verantwoording moet afleggen aan [gedaagden] Van belang is of sprake is van beheer; er is in beginsel geen grond om rekening en verantwoording te vorderen als de erflater beschikkingsbevoegd was en zelf het beheer voerde. Of het doen van rekening en verantwoording verplicht is, is verder afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aanleiding voor het financiële beheer, de verhouding tussen volmachtgever en gevolmachtigde, het gebruik in familierelaties, de mate waarin de gevolmachtigde zelfstandig kon handelen, de mate waarin de volmachtgever de handelingen van de gevolmachtigde kon overzien en voor zijn belangen kon opkomen (zie bovengenoemd arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2014). Uit vaste rechtspraak volgt bovendien dat geen rekening en verantwoording aan erfgenamen hoeft te worden afgelegd als niet is komen vast te staan dat een erflater ten tijde van de volmachtverlening en bij gebruikmaking van de volmacht niet in staat was zijn wil te bepalen en erflater bij leven geen aanleiding heeft gezien om de gevolmachtigde ter verantwoording te roepen (HR 13 mei 2005, ECLI:NL:HR: 2005:AS4167). Dit is slechts anders indien sprake is van misbruik van omstandigheden (gerechtshof ’s-Gravenhage 21 augustus 2021, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY4759).
4.15.
De rechtbank acht in deze zaak van belang dat de kennelijke aanleiding voor [eiser] om gebruik te maken van de volmacht en daarmee opnamen te doen, lag besloten in het feit dat erflaatster vanwege haar situatie die opnames en betalingen niet meer zelfstandig wilde doen, dat er tussen beiden sprake was van een vertrouwensrelatie, en dat [eiser] van erflaatster een vrij grote zelfstandigheid verkreeg om van de gemachtigdenpas van erflaatster gebruik te maken en met het opgenomen geld betalingen te verrichten.
4.16.
In het kader van de mate waarin erflaatster de handelingen van [eiser] kon overzien en voor haar belangen kon opkomen, is van belang dat [gedaagden] geen feiten hebben gesteld waaruit kan worden afgeleid dat erflaatster ten tijde van de volmachtverlening en het gebruik van de volmacht niet in staat was haar wil te bepalen. Gelet hierop wordt erflaatster geacht in staat te zijn geweest om aan [eiser] rekening en verantwoording te vragen van de pinbetalingen en de besteding van de door haar opgenomen gelden. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van misbruik van omstandigheden. [gedaagden] hebben echter onvoldoende gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat daarvan sprake is geweest. De enkele omstandigheid dat grote delen van de administratie van erflaatster ontbraken en de rest van de administratie een puinhoop was, wat door [gedaagden] is gesteld maar door [eiser] is betwist, is daarvoor onvoldoende. Voor het overige hebben [gedaagden] onvoldoende gesteld wat het gestelde misbruik zou zijn. Dat [eiser] veel deed voor erflaatster, betekent in ieder geval niet dat er sprake is geweest van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat erflaatster geen rekening en verantwoording heeft kunnen of durven vragen, al dan niet door tussenkomst van [gedaagde 1] , die volgens zijn eigen stellingen regelmatig telefonisch contact had met erflaatster. Vast staat dat daarvan geen sprake is geweest. Uit de eigen stellingen van [gedaagden] , die erop neerkomen dat erflaatster in maart 2023 tegen [gedaagde 1] gezegd heeft dat zij zich zorgen maakte om haar financiën, leidt de rechtbank af dat erflaatster wel degelijk in staat was om [eiser] – al dan niet via [gedaagde 1] – ter verantwoording te roepen. Niet gebleken is dat erflaatster op enig moment [eiser] verzocht heeft rekening en/of verantwoording af te leggen. Op de vraag of uit dat feit afgeleid kan worden dat alle opnames en betalingen de instemming van erflaatster hadden, komt de rechtbank hierna terug.
4.17.
Wat betreft de aard en de omvang van de pinbetalingen en de geldopnames acht de rechtbank van belang dat het in de situatie waarin erflaatster verkeerde, heel gebruikelijk is dat naast de reguliere verzorging voor erflaatster uitgaven worden gedaan die gerekend kunnen worden tot haar normale levenspatroon. De pinbetalingen zijn bescheiden van omvang en uit de overgelegde bankafschriften volgt dat deze veelal betrekking hebben op uitgaven voor boodschappen. Daarnaast zijn nog geldopnames gedaan. Niet ter discussie staat dat [eiser] altijd al maandelijks een bedrag van € 1.250,00 contant opnam. Uit het overzicht dat [gedaagden] in het geding hebben gebracht, volgt dat – met uitzondering van de maart 2023 – nauwelijks meer geld is opgenomen. In maart 2023 is wel een totaalbedrag van € 4.900,00 opgenomen.
4.18.
De rechtbank overweegt dat gelet op het voorgaande in beginsel geen aanleiding bestaat om een plicht tot het afleggen van rekening en verantwoording aan te nemen. Bij het aannemen daarvan dient in de gegeven omstandigheden ook terughoudendheid te worden betracht, die echter zijn grens vindt bij financiële handelingen die [eiser] ten behoeve van zichzelf heeft verricht en financiële handelingen die wat aard en/of omvang betreft niet gerekend kunnen worden tot het normale uitgavenpatroon van erflaatster.
4.19.
De rechtbank is echter van oordeel dat [gedaagden] tegenover de gemotiveerde betwisting van [eiser] onvoldoende hebben onderbouwd dat zich hier één van deze situaties voordoet. Zoals hiervoor ook al is overwogen, zijn de pinbetalingen bescheiden van omvang en kan uit het door [gedaagden] overgelegde overzicht met bijbehorende bankafschriften worden afgeleid dat het veelal gaat om uitgaven voor boodschappen. Nu erflaatster nog zelfstandig woonde, en bovendien niet weersproken is dat erflaatster haar boodschappen voornamelijk deed bij de slager, de groentewinkel en de traiteur, staat naar het oordeel van de rechtbank niet vast dat deze uitgaven niet gerekend kunnen worden tot het normale uitgavenpatroon van erflaatster. [gedaagden] hebben ook naar aanleiding van het verweer geen bankafschriften over een langere periode overgelegd waaruit dat kan worden afgeleid.
4.20.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagden] – gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser] – ook niet voldoende onderbouwd dat de contante geldopnames niet passen in het uitgavenpatroon van erflaatster. Bankafschriften over een langere periode zijn niet in het geding gebracht en de contante geldopnames in de periode maart 2023 tot juli 2023 zijn niet of nauwelijks hoger zijn dan het bedrag dat erflater gewend was contant op te nemen, namelijk een bedrag van € 1.250,00 per maand. Dit geldt weliswaar niet voor de maand maart 2023, waarin een totaalbedrag van € 4.900,00 werd opgenomen, maar [eiser] heeft daarvoor een verklaring gegeven die past bij de omstandigheden van het geval. [eiser] heeft namelijk onweersproken verklaard dat erflaatster in maart 2023 gedurende minstens anderhalve week niet de beschikking heeft gehad over haar bankpas, omdat [gedaagde 1] een nieuwe pas had aangevraagd en de oude pas had laten blokkeren. Volgens [eiser] maakte erflaatster zich daardoor ernstig zorgen dat zij niet meer bij haar geld kon en daardoor niets meer kon betalen, en is dat de reden geweest dat in die maand een hoger bedrag is opgenomen. [gedaagden] hebben naar aanleiding hiervan geen nieuwe feiten gesteld die de rechtbank tot een andere conclusie leiden.
4.21.
Over de benzinekosten heeft [eiser] aangevoerd dat erflaatster bij leven de wens heeft uitgesproken dat zij de auto zou gebruiken. Volgens [eiser] stond erflaatster erop dat zij de benzinekosten voor haar rekening zou nemen, omdat [eiser] zeer regelmatig op bezoek kwam bij erflaatster. [eiser] heeft verder toegelicht wat de afstand is van haar woning tot de woning van erflaatster en op basis van het verbruik van de auto en de benzineprijs toegelicht dat de pinbetalingen niet ongebruikelijk of bovenmatig zijn. De rechtbank volgt [eiser] hierin. Het is niet onredelijk of ongebruikelijk dat erflaatster een vergoeding heeft willen betalen voor de benzinekosten die verbonden zijn aan het wekelijks meerdere malen op en neer rijden naar de woning van erflaatster.
4.22.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat [eiser] niet gehouden is om (verder) rekening en verantwoording af te leggen over de contante geldopnames en de pinbetalingen die zijn gedaan. Van onrechtmatig handelen van [eiser] ten opzichte van [gedaagden] of ongerechtvaardigde verrijking van [eiser] is dan ook geen sprake. De vordering om [eiser] te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording zal daarom bij eindvonnis worden afgewezen, net als de vordering tot terugbetaling van een bedrag van € 6.600,00 aan contante geldopnames, een bedrag van € 11.600,00 aan pinbetalingen en een bedrag van € 444,61 aan benzinekosten.
Ontvreemde goederen
4.23.
[gedaagden] stellen – kort gezegd – dat erflaatster beschikte over kostbare sieraden, een iPhone, een iPad, en een verzameling munten en postzegels. Volgens [gedaagden] waren deze goederen in maart 2023 nog aanwezig in het kantoor van erflaatster, maar is alles nu verdwenen. [gedaagden] schatten de waarde van de verdwenen sieraden en verzamelingen op een bedrag van minimaal € 100.000,00 en willen dat erflaatster dit bedrag aan de nalatenschap vergoedt.
4.24.
De rechtbank zal deze vordering bij eindvonnis afwijzen. [eiser] betwist dat zij goederen heeft ontvreemd en [gedaagden] hebben op geen enkele wijze onderbouwd dat [eiser] daarvoor verantwoordelijk is. Ook hebben [gedaagden] de vervreemde goederen niet nader gespecificeerd en evenmin onderbouwd wat de waarde is van elk goed. Ook hebben zij de rechtbank geen aanknopingspunten verschaft om de waarde van de betreffende goederen te bepalen.
Hoe nu verder?
4.25.
De rechtszaak wordt zoals gezegd aangehouden om [eiser] de gelegenheid te geven om [kapper 1] , [kapper 2] en [pedicure] op de voet van artikel 118 Rv op te roepen als partij in de procedure, zodat zij hun standpunt kunnen bepalen ten aanzien van de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht.
4.26.
Als [eiser] de haar geboden gelegenheid tot oproeping ongebruikt laat, zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard in die vordering.
4.27.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank,
in conventie:
5.1.
stelt [eiser] in de gelegenheid om [kapper 1] , [kapper 2] en [pedicure] op de voet van artikel 118 Rv op te roepen tegen de rolzitting van deze rechtbank van
woensdag 27 augustus 2025, zodat [kapper 1] , [kapper 2] en [pedicure] zich over de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht kunnen uitlaten;
in conventie en in reconventie:
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. de Boer en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025.