De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Eindhoven om een pand in Eindhoven voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Dit besluit volgt op een politieonderzoek waarbij hasj en hennepresten in het pand werden aangetroffen.
Verzoeker, eigenaar van een eenmanszaak die het pand huurt, stelt dat de sluiting zijn bedrijfsvoering lamlegt en dat sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter constateert echter dat verzoeker sinds 2020 geen bedrijfsactiviteiten meer in het pand verricht en geen Alcoholwetvergunning heeft. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de huurovereenkomst zal worden beëindigd of dat onomkeerbare gevolgen dreigen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang ontbreekt en dat het besluit niet evident onrechtmatig is. De burgemeester heeft de bevoegdheid tot sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet gemotiveerd en de noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de maatregel toegelicht. Verzoekers stelling van verminderde verwijtbaarheid wordt niet gevolgd, omdat hij als huurder verantwoordelijk is voor toezicht.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.